27 October 2014

Nederlandsche Vogelen (2) Een aanzet tot evolutionair denken in de kiem gesmoord

updates t/m 6 Jan 2015.
 
Sturnus alba ('witte spreeuw')
te koop op amazon.co.uk voor £409,50.
"Waartoe tog zoo veel verscheidenheids in de werken der scheppinge? dit vraagt misschien de natuuronderzoeker dikwerf aan zich zelve, terwyl hy in de ryken der Natuur, inzonderheid in het Dieren en Plantenryk, by een en het zelfde geslacht en soort, zoo in den uiterlyken vorm, als kleur en geaartheid, een oneindig anders bespeurt, niet geheel onverschillig is het om hier over natedenken, schoon het antwoord op deze vraag niet nauwkeurig zal kunnen bepaald worden. ... " ( Nozeman en Sepp, Nederlandsche Vogelen, p.623 )
Dit zijn de eerste regels van de beschrijving van de 'Witte Spreeuw'. De normaal zo gortdroge en zakelijke beschrijving van een soort begint met een filosofische beschouwing. Dit staat dus niet in een voetnoot, maar is het begin van een beschouwing die nog langer is dan bovenstaand citaat. Zijn al deze vormen geschapen of zijn zij 'een speling der natuur'? vraagt Houttuyn (de opvolger van Nozeman) zich vervolgens af. Zijn die paar zeldzame witte spreeuwen geschapen? Nee, Houttuyn gaat er van uit dat die 'een speling der natuur' zijn. Zijn dan alle soorten een speling der natuur? Nee, natuurlijk niet. De soorten zijn "opzettelijk geschapen door de oneindige hand Gods". Houttuyn meende dat die spelingen der natuur zeldzame afwijkingen waren die vanzelf weer zouden verdwijnen. Toch vond hij ze interessant genoeg om vele van die 'afwijkingen' op te nemen in de Nederlandsche Vogelen. En niet alleen dat. De Witte Spreeuw krijgt dezelfde behandeling als de gewone spreeuw, die in het begin van het boek al besproken was (p.69). Alsof het een aparte soort zou zijn. Dus, een soort kan ontstaan als speling der natuur? Dacht hij dat werkelijk? We weten het niet. Hij wist zelf waarschijnlijk ook niet wat hij er mee aan moest. Hoe dan ook, bovenstaande filosofisch-theologische bespiegeling geeft ons een uniek inkijkje in de denkwijze van geleerden in het vroege begin van de 19e eeuw.

De Witte spreeuw was niet de enige 'speling der natuur'. Hetzelfde zien we bij de kievit die in deel 1 behandeld wordt en de zgn. 'Witte kievit' die in deel 4 van de Nederlandsche Vogelen afgebeeld wordt. 

De witte variëteit van de kievit.
Deze hand gekleurde kopergravure
van Nozeman-Sepp vond ik bij een
antiquariaat voor de prijs van $2500.
Alcedo Ispida
witte ijsvogel (onderaan)
is zekerlyk eene 'verbastering'
The Prints Collector

Behalve de witte spreeuw en de witte kievit (zie afbeelding) zijn er ook de witte lijster, witte specht (afbeelding, [8]), witte ijsvogel (wordt een 'verbastering' en 'by uitstek raare Voorwerp' genoemd; zie afbeelding), witte zwaluwen, witte vinken [5], witte grauwe gors, witte raven, witte kraaien, witte kauwtjes, witte buizerd, witte pauw [10], witte dag-uil [9], witte wulp en witte tamme eenden. Ja, in welke soort vind je geen witte exemplaren! [5]. Men was duidelijk gefascineerd door zeldzame afwijkingen. Die hadden een verzamelaarswaarde. Natuurlijk kende men ook soorten als de witte lepelaar, wilde en knobbelzwaan,  en de sneeuwuil die de witte kleur als soortkenmerk hebben.

Kanarie (drie verschillende 'soorten').
Deze originele ingekleurde kopergravure van Nozeman
en Sepp is te koop op amazon.co.uk voor £659,50.
Er zijn maar liefst 147 platen te koop!
Maar er zijn nog meer voorbeelden van variaties in het boek te vinden. We treffen een opsomming van alle mogelijke kleur- en zang-variëteiten van de kanarie (de voliérevogel, niet de wilde!) aan. Ook merkt de auteur op dat 'tamme eenden' meer kleurvariaties vertonen dan de wilde eenden (217). Voor ons ligt de vraag voor de hand: zijn het variëteiten? zijn het rassen? en als je maar lang doorkweekt wordt het dan een andere soort? Beseffen de auteurs dat deze variëteiten niet door de Schepper in de beginne zijn geschapen? Ze komen immers niet in de natuur voor en ze worden gekweekt en in standgehouden omdat kwekers ze mooi vinden. Het wordt niet helemaal duidelijk in de tekst. Bij het Parelhoen melden ze dat kleurvariëteiten 'door luchtsgestel en voedsel' veroorzaakt zijn, wat grotendeels onjuist is.

Columba gutturosa (Kropper, kropduif)
bron: amazon.co.uk
Nog een voorbeeld: in het boek komen een vijftal tamme duivenrassen voor, waaronder de Kropper (zie afbeelding), het Meeuwtje, de Kapper, de Paauwduif. Ze worden behandeld alsof het aparte soorten zijn. Over de Kropper schrijven ze
"hij paart het liefst met zijns gelijken en plant alsdan op zijne nakomelingen deze bijzonderheden voort." p.681
Een zeer belangrijke observatie zo zal later blijken [1]. 

De Paauwduif ziet er zo anders uit dat je je af zou kunnen vragen of het wel een duif is. Maar hij is het wel degelijk. Hij wordt vergeleken met pauwen. Vandaar zijn naam. Ook een belangrijke observatie: je kunt een duivenras kweken die er helemaal niet meer als duif uitziet. Potentieel een nieuwe soort zouden wij nu zeggen. Over het Meeuwtje wordt gezegd dat zijn unieke eigenschappen zich ook voortplanten (erfelijk zouden wij nu zeggen). Een belangrijke observatie die helaas vertroebeld wordt door de twijfel of een duif met 30 of meer staartpennen wel kan afstammen van wilde duiven die er doorgaans niet meer dan 12 hebben. 
Wat mij opvalt is dat het onderscheid tussen wilde soorten en gekweekte soorten vervaagd is met o.a. het gevolg dat tamme soorten worden opgenomen in het boek. In moderne vogelgidsen komen geen tamme duivenrassen of eenderassen voor. Misschien dachten ze toen wel dat de Paauwduif in een ander werelddeel in het wild voorkwam als echte soort en tot huisdier is gemaakt. In die tijd hielden ze immers ontzettend veel wilde Nederlandse en exotische soorten door elkaar in kooien [2].

tamme en wilde vogels: hints
Interessant is dat wordt opgemerkt dat de Holenduif de oorspronkelijke soort is en dat allerlei duiven die er op lijken en alleen in kleur verschillen 'verbasterde afzetselen zijn'. (p.49). Afgezien van de negatieve klank (bastaard) lijkt dit een aanzet tot een beperkte afstammingstheorie.
In de beschrijving van de Rietgans klinkt verwarring over wat 'wild' en 'tam' nu precies betekent, maar tegelijk het besef dat tamme ganzen van wilde ganzen afstammen net als tamme honden afstammen van wilde honden [12]. Nog een intrigerende uitdrukking: "den Wilden Eend, waarschynlyk de Moeder der tamme Eenden" (215). Dat klinkt ons in de oren als 'voorouder'. Een aanzet tot  kleinschalige 'descent with modification'? De terminologie is verwarrend: 'halfslachtigen' wordt gebruikt voor kruisingen tussen wilde en tamme eenden (217).

Darwin
Charles Darwin
1809 – 1882
Wat maakt dit allemaal uit? Waarom zouden we ons daar druk over maken? Dit maakt het interessant: voor Darwin waren de duivenrassen hét voorbeeld van de kracht van kunstmatige selectie en het bewijs voor de veranderlijkheid der soorten. Voor Darwin werden die zgn. 'spelingen der natuur' van cruciaal belang. Omdat die spelingen der natuur overerfbaar waren, waren ze potentieel het begin van een ondersoort en die ondersoort had de potentie zich te ontwikkelen tot een nieuwe soort. Bijvoorbeeld: als die witte spreeuwen levensvatbaar waren en in een geïsoleerd gebied (Texel!) voorkwamen en zich uitsluitend onderling voortplanten, dan zouden ze zich tot een nieuwe soort kunnen ontwikkelen. Bij de Kropper duif had de auteur al vastgesteld dat hij het liefst met zijns gelijken paart en dat zijn eigenschappen terugkwamen in het nageslacht [1]. 
In het laatste deel van het boek wordt glashelder beschreven dat er in gevangenschap witte pauwen geboren zijn uit normale ouders en dat de jongen [van die witte pauwen] voor de helft ook wit waren (p.791) [10]. Dus het is erfelijk. Sterker nog: die witte afwijking wordt letterlijk aan het toeval toegeschreven, dus niet aan klimaat zoals gewoonlijk. Het begrip toeval wordt hier voor het eerst in dit boek geintroduceerd (vijfde deel: 1829). Tegenwoordig worden mutaties routinematig toevallig genoemd.
Witte Kerkuil (Strix alba) ondersoort [9]
Nozeman, Sepp. (The Prints Collector)
Conclusie

We zien dat voorbeelden van overerfbare zeldzame varianten zich opstapelen: witte spreeuwen, witte kievitten, witte ijsvogel, witte specht, witte paauwen, witte lijster, witte zwaluwen, witte vinken [5], witte raven, kraaien, kauwtjes, witte dag-uil [9], kleur- en vorm varianten van kanaries en duiven. Het besef begon te ontstaan dat het toevallige spelingen der natuur waren. Maar ze worden vaak beschreven als soorten. En soorten waren in die tijd onveranderlijk.
Behalve de zgn. spelingen der natuur was men heel goed op de hoogte van de grote variabiliteit van bijvoorbeeld de buizerd (men kende de lichte vorm). Die variabiliteit was zo groot dat sommige ornithologen ze beschrijven als andere soorten!
Waarom verwierpen ze de constandheid van soorten niet? Wat weerhield de schrijvers de feiten op dezelfde manier te interpreteren als Darwin een paar decennia later deed? (plm 1836 - 1840 in zijn Notebooks). Ik denk:

Ten eerste: men gebruikte de begrippen soort, ras en 'speling der natuur' (nu: mutant, variant) niet op een consequente manier. Ze kwamen daardoor niet op het idee dat er in gevangenschap ooit één mutant duif ontstaan moet zijn, waarmee verder gekweekt werd. Een speling der natuur die in de natuur zou verdwijnen, maar die door kwekers in stand gehouden, geselecteerd en vermenigvuldigd wordt. Het besef was niet aanwezig dat je door selectie van een zeldzame mutant een populatie mutanten kunt maken, een nieuw ras of ondersoort. Maar dat was precies waar duivenhouders mee bezig waren.

Ten tweede: onbekendheid met literatuur van die tijd waarin voorlopers van de evolutietheorie uiteengezet werden zoals de Franse bioloog Lamarck [3].

Een derde en misschien wel de belangrijkste factor was het theologische dogma van de onveranderlijkheid der soorten: "want de Natuur is in alle eeuwen aen zig  zelve gelyk" [11]. Dat maakte hen blind voor wat ze met hun eigen ogen zagen: spelingen der natuur, zoals de witte spreeuw, die spontaan ontstonden en die –duidelijk in het geval van duiven en kanarie's– overerven en in stand gehouden werden door kwekers. Dit alles zou een weerlegging van het dogma der onveranderlijkheid moeten zijn. Een gemiste kans! De reden dat het dogma zo onaantastbaar was, kwam omdat het op het geloof in de onfeilbare Bijbel gebaseerd was. En dat maakt het dogma immuun voor weerlegging door nieuwe feiten. Houttuyn: de soorten zijn "opzettelijk geschapen door de oneindige hand Gods". (En volgens het bijbelboek Genesis was de schepping klaar op de zesde dag, dus daarna konden geen nieuwe soorten ontstaan zijn.) De verering van de Schepper was zo allesoverheersend dat zelfs naar aanleiding van bizarre varianten van gekweekte tamme duiven of het zien van een witte kievit de Schepper werd geprezen [6],[7].

In de filosofische beschouwing over de witte spreeuw gaat Houttuyn zelfs nog een stapje verder. Hij verzekerd ons dat wij mensen nooit en te nimmer zullen weten waarom de Schepper die oneindige verscheidenheid heeft geschapen. Dat vraagstuk ligt boven het bereik van het menselijke verstand. Die houding is dodelijk voor wetenschappelijk onderzoek [4].

In het boek De Nederlandsche Vogelen vinden we overvloedig feitenmateriaal over afwijkende vormen. De feiten circuleerden al lang in de wetenschappelijke wereld. Het wachten was op iemand die –niet gehinderd door het dogma der onveranderlijkheid der soorten– alle feiten systematisch verzamelde, correct interpreteerde en een theorie opstelde om die feiten te verklaren. Die persoon was Darwin. Het ironische is dat juist die duiven hét voorbeeld was dat Darwin gebruikte om kunstmatige selectie te illustreren!

(De bovenstaande tekst wordt steeds ge-update zodra ik weer iets nieuws tegenkom in NV.)

Noten
  1. Nota bene: tegenwoordig weten wij dat exclusieve onderlinge voortplanting een kenmerk van een soort is!
  2. Verwarrend: de 'gekraagde tortelduif' (p.701) wordt tot huisdieren gerekend, terwijl 'de tortel' (p.45) tot wilde soort gerekend wordt. Bovendien wisten ze dat de zeer bewonderde en als huisdier gehouden Pauw uit Oost-Indië kwam (p.787). Dus extravagante soorten die er uit zien alsof ze door mensen gekweekt zijn, komen in de natuur voor. Waren zou het tamme pauwduifje ook geen exoot kunnen zijn?
  3. In hetzelfde jaar 1809 dat Houttuyn zijn bijdrage schrijft, verschijnt Philosophie Zoologique van de Fanse bioloog Lamarck, waarin hij zijn evolutietheorie uiteenzet. (NB: tevens geboortejaar van Darwin). Houttuyn kan dat niet gelezen hebben. Hij had het zeer waarschijnlijk verworpen, gezien zijn onwrikbare geloof in de schepping. Pas in 1831 begint Darwin met zijn reis met de Beagle en in 1859 komt zijn Origin of Species uit.
  4. Precies dat idee dat 'we nooit alles kunnen weten' zie je tegenwoordig nog steeds bij gelovigen, sommige filosofen en theologen. Een recent voorbeeld is het boek waar Taede Smedes over blogt: "Je zou dit boek kunnen lezen als een lofzang op de eindigheid van de rede en de logica met taal en wiskundige formules." Bladeren door oude blogs van Jan Riemersma levert het zelfde enigzins anti-wetenschappelijk beeld op. Dit soort ideëen is voor de wetenschap dodelijk; een science-killer. Als Newton het had gelaten bij de uitroep: de zwaartekracht is een mysterie dat we nooit zullen begrijpen! en als Darwin het had gelaten bij de oorsprong der soorten is een groot mysterie!, dan zouden we nu nog opgescheept zitten zijn met een Middeleeuwse natuurkunde en biologie.
  5. "'K heb onder de Muschen, Spreeuwen, huiszwaluwen, (jae onder welk gezin van vogelen vindt men ze niet?) witte gezien, hoewel zeldzaemer dan onder de vinken." (p.256. Deel II). Met witte vinken kan ok de sneeuwgors [p.509] bedoelt worden, maar dat is geen afwijking maar een soort! Er wordt ook een witte strandloper afgebeeld (p.449), maar deze is het winterkleed van de Zwarte Ruiter (volgens de uitgever)!
  6. "Zo wordt onze verbeelding door alles wat de Natuur daargesteld heeft, dan eens met verbazing vervuld, dan eens wordt wederom ons oog bekoort, dan weder ons hart geroerd, en het beschouwen van dit alles leert ons de aanbiddelijke macht van hare Schepper en Onderhouder eerbiedigen." (p.699). Dit is pure theologische vroomheid! [toegevoegd: 24 Nov 2014]
  7.  "Van verwondering opgetogen wordt de nadenkende beschouwer, wanneer hy de Natuur in hare werken gadeslaat en aangespoord tevens tot den Lof des Eeuwigen Formeerders, wanneer hy ziet ... hoe veele van verschillende soorten van Wezens 'er zyn voortgebragt; welk eene orde heerst in al het geschapene ... dat hoe zeer sints alle Eeuwen de gelyksoortige voortbrengsels der Natuur, elkander altoos gelyk bleven, " (p.615).
    - Een volstrekt religieuze tekst, maar wel een waar bewondering voorop staat. Eigenlijk bevestigt de zeldzaamheid van afwijkingen de constandheid der soorten. Tegelijk wordt kennelijk ook aan de natuur het vermogen toegeschreven variatie's voort te brengen. Hoe meer je aan de natuur zelf toeschrijft, hoe minder je rechtstreeks aan God hoeft toe te schrijven. In een stap in de goede richting. [toegevoegd: 1 Dec 2014]
  8. Men was er niet zeker van of de witte specht nu een 'speling der natuur' was of een andere soort (dan de groene specht). (p.619) [toegevoegd: 2 Dec 2014]
  9. De witte kerkuil Tyto alba alba is een ondersoort van de kerkuil die tegenwoordig zeldzaam in Nederland voorkomt. Het is dus geen los individu (mutant), zoals bij de witte spreeuw. Het is interessant dat juist die zeldzame ondersoort in Nozeman en Sepp voorkomt naast de 'gewone' kerkuil (Tyto alba). Het was toen niet duidelijk of dit een dwaalgast was of een in Nederland broedende soort. Ze merken daarbij nog op dat witte soorten vaak in noordelijke streken voorkomen (IJsland, Zweden, etc). [toegevoegd: 2 Dec 2014]
  10. Uit de tekst is niet helemaal duidelijk of de schrijver jongen van witte paauwen bedoelt of jongen van gewone paauwen: "Het gebeurt ook somtijds dat onze gewone Paauwen witte jongen bekomen, dat er voor eenige jaren van de vier jongen van een paar  gekleurde Paauwen twee derzelve geheel wit waren; indien het is dat de witte slechts toevallig zijn, is dit ook zeker de reden, dat dezelve veel zeldzamer zijn dan de gekleurde". (p.791). We zien hier weer het woord toeval opduiken! Dus geen invloed van het klimaat zoals gewoonlijk. Als er twee jongen van een normaal paar beide wit zijn moet dit, zoals wij tegenwoordig zouden zeggen, waarschijnlijk betekenen dat beide ouders de witte mutatie in heterozygoot-recessieve vorm gehad moeten hebben. Maar het is ingewikkelder dan dat, zie de pagina van Henk over witte vormen van de Paauw en ontzettend veel andere huisdieren en de interactieve kruisingsresultaten. [toegevoegd: 7 Dec 2014]
  11. in een verwijzing naar wat Aristoteles over de Hop schreef (hier). [30 dec 2014]
  12. "ja in Tartarie zyn plaatsen, waar de Ganzen by Zomer wild en 's Winters tam zyn: des het niet onwaarschynlyk voorkomt, dat de Tamme Ganzen, even als de Honden, van de Wilden afkomstig zyn." (hier) [toegevoegd: 22 Jan 2015]

Postscript 21 Nov 2014

Een interessant voorbeeld van hoe een kans tot evolutionair denken gemist wordt is de kruisbek (zie afb). Er wordt verteld dat wylen de heer Nozeman een leeurik heeft gevangen die een gekruiste snavel had. Het was een mismaakte snavel bij een individu (dat soort afwijkingen zouden niet overerven wordt er bij verteld). Maar bij de kruisbek hebben alle individuen zo'n 'afwijking' (die kennelijk niet schadelijk is). Men kwam niet op het idee dat een toevallige afwijking toevallig ergens nuttig voor kan zijn, en zo een nieuwe soort zou kunnen ontstaan.


Postscript 22 Nov 2014
Een witte raaf (Naturalis collectie)

Sepp en Nozeman maken melding van witte raven. In de collectie van Naturalis bevindt zich ook een witte raaf. De dierenpreparateur Hein van Grouw "houdt van dit soort kleurafwijkingen bij vogels" net als Nozeman en Sepp. Het ongelukkig dier was afkomstig van de Faeröer eilanden, waar meerdere individuen leefden. Het is onduidelijk of ze daar nog steeds voorkomen, of dat ze allemaal werden geschoten voor collecties van musea over de hele wereld. De populatie had door inteelt (Faeröer is een afgelegen eilandengroep) tot een ondersoort kunnen uitgroeien. Evolutie ... in de kiem gesmoord.



Vorig blog over dit onderwerp:

Nederlandsche Vogelen (1) Een vernieuwend ornithologisch standaardwerk uit de 18e - 19e eeuw

21 October 2014

Nederlandsche Vogelen (1) Een vernieuwend ornithologisch standaardwerk uit de 18e - 19e eeuw

update: 26 en 29 dec 2014

De Nederlandsche Vogelen. (Grutto op omslag)
Ter vergelijking: een moderne vogelgids.

Het bijzondere van de Nederlandsche Vogelen van Nozeman en Sepp is de raadselachtige en fascinerende combinatie van bewonderenswaardige nauwkeurige en artistieke kleurenafbeeldingen, met vaak verwarrende benamingen van vogelsoorten; de onnavolgbare volgorde van de soorten in het boek; de gortdroge opsomming van lengtematen en aantal eieren afgewisseld met bizarre anecdotes en vaak informele toon; de diepgaande belangstelling voor vogels en tegelijk de volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee vogels geschoten, gevangen, gehouden, vetgemest, verhandeld en gegeten worden. Het zijn niet alleen de afbeeldingen, maar ook de tekst die absoluut de moeite waard is. De teksten geven een verrassende blik in de stand van de wetenschappelijke kennis van vogels (ornithologie) eind 18e - begin 19e eeuw. Voor die tijd was het vernieuwend en ambitieus om een encyclopedisch werk van alle in Nederland voorkomende vogels uit te brengen. Het nieuwe was ook dat de tekeningen niet gecopieerd werden uit andere boeken, maar dat ze speciaal voor deze uitgave aan de hand van levende of dode exemplaren gemaakt werden. Het boek verscheen in 5 delen tussen 1770 en 1829 en is nu samengebracht in een 10 kilo zwaar en 816 paginas tellend luxe boekwerk. Ik geef hier een aantal karakteristieke bijzonderheden die vooral leuk zijn voor vogelliefhebbers en voor biologen in het algemeen en voor liefhebbers van oude boeken.

Systematiek en naamgeving: Het systeem van Linnaeus (1707 – 1778) was nog niet de standaard in de biologie die het nu is. Uit de tekst blijkt dat Linnaeus weliswaar als een gezaghebbend wetenschapper werd gezien als het over de classificatie van vogels ging, maar er werden ook andere auteurs met een andere mening geciteerd. Er worden bijna altijd meerdere namen voor dezelfde vogel gegeven. Ook dat geeft verwarring. De indeling van vogels die in het boek gebruikt wordt vereist een nadere studie. Wat het extra lastig maakt is dat zelfs gedurende de 60-jarige periode dat het werk uitkwam de classificatie van vogels herzien werd.
Desondanks zijn er veel Nederlandse vogelnamen die in ruim 200 jaar hetzelfde zijn gebleven: boomklever, kuifmees, gierzwaluw, grutto, draaihals, koolmees, waterhoentje, etc. Helaas hebben vele kostelijke namen het niet overleefd: Strontjager, Vechtenden Strandloper, Schrikvogels, Onweersvogel, Halve-Eend, Madeliefje, Zee-Leeuwrik, Tiet-Leeurik, Scherpbek en nog veel meer...

'Foute namen': 'Gekuifde waterraaf' (nu: kuifaalscholver) is wel zwart, maar is zeker géén raaf. De 'Zwartbekkige Zeezwaluw' is géén zwaluw maar een Grote Stern . 'Sloot-musch' (!) is géén musch, maar de rietgors. De Waterspreeuw is geen spreeuw. 'Gekraagd Roodstaartje' is door de schrijver voor het eerst in dit boek gegeven als vertaling uit het Frans. Jammer dat de afbeelding een onbekende soort is. Er komt zowel een 'tortel' als 'tortelduif' voor in het boek. De tortelduif lijkt toch wel erg veel op een turkse tortel die wat rood is uitgevallen, maar wordt tot de huisdieren gerekend. Het is niet waarschijnlijk dat het een wilde turkse tortel is, want die kwam toen niet voor in Nederland. Door dit soort dingen valt er heel wat te puzzelen en kun je niet gauw zeggen: ik heb het uit!

Soorten en variëteiten: het onderscheid wordt niet altijd duidelijk gemaakt. Ze gebruiken het woord 'verscheidenheden' en later (er zit een groot tijdsverschil in het verschijnen van eerdere en latere delen van het werk) 'variëteit'. Tegenwoordig maken we duidelijk verschil tussen variëteit (vorm), mutant of subspecies noemen. Het aantal witte vogels in het boek is opvallend: 'witte spreeuw' (afbeelding!) , 'witte kievit' (afbeelding!) , 'witte lijster' (afbeelding!), 'witte specht' (afbeelding!), 'witte zwaluwen' , 'witte raven, kraaien, kauwtjes', 'witte ijsvogel' (afbeelding!), 'witte dag-uil'. Het zal wel komen omdat zeldzame afwijkingen een gewild verzamelaars object zijn. Het is vaak duidelijk dat het om zeldzaamheden gaat, maar soms wordt zo'n witte vogel tot soort verheven. De auteur is wel kritisch: hij vraagt zich af of die Witte Specht een vrouwtje specht is of een 'speling der natuur'! 'Speling der natuur' is een voorloper van het moderne begrip mutant. Gekweekte duivenrassen komen er in voor alsof het soorten waren. Al deze variëteiten en subspecies zullen voor Darwin een cruciale rol gaan spelen in zijn evolutietheorie. Maar daar is in dit boek nog lang geen sprake van. Toch is het interessant aandacht te besteden aan wat de auteurs hierover te melden hebben. Nader onderzoek gewenst.

Voliére vogels of huisdieren:  Gallus domesticus (kip), kanarie, kalkoen, pauw, duivenrassen zoals 'De Kropper', 'Paauwduif', 'Kapper' , 'het Meeuwtje' komen voor in het boek uit een soort drang naar volledigheid, maar wel beseffend dat het niet om wilde soorten gaat. Deze soorten vind je niet meer in een moderne vogelgids.

Putters. ©Lannoo/KB

Afbeeldingen: de kwaliteit van de afbeeldingen is vaak zo goed dat ze zondermeer opgenomen zouden kunnen worden in een moderne vogelgids. Voorbeelden: putter en goudhaantje. Heel vaak worden mannetje en vrouwtje afgebeeld, wat natuurlijk een vereiste is als je vogels wilt identificeren. Jongen ('juviniel') worden niet afgebeeld. Dat is standaard in moderne vogelgidsen, voorzover ze een afwijkend verenkleed hebben. Wel vind je dat soms in de beschrijving, bijvoorbeeld de jongen van de koekoek zien er totaal anders uit dan de volwassen vogel (maar: rosse koekoek). De termen 'winterkleed' en 'zomerkleed' komen voor in de beschrijving, maar worden niet afgebeeld.

Ornithologie: er blijkt verrassend veel kennis aanwezig die je niet verwacht. Men kende begrippen als standvogels en trekvogels (ook wel: 'reizende vogels'). Men wist wanneer trekvogels in Nederland aankwamen. Soms wordt genoemd waar de vogels overwinteren. Er staat een waarneming dat een bepaalde soort zich in de winter ingraaft in de bodem van meren of rivieren om daar te overwinteren. Dit soort mythes zijn een uitzondering in het boek. De ambitie was ook de vogels in hun milieu weer te geven, plus hun nesten en eieren. En enkele keer gaat dat fout. Vaak wordt gedrag of zang beschreven, soms door de auteur zelf waargenomen!
 
Voorkomen: de 'Allerkleinste bonte specht' is een zeldzaamheid. De Zwarte Ooievaar is zeldzaam in Nederland, maar is in 1824 gezien en (nota bene!) geschoten. De Grote karekiet: 'zoo gemeenzaam voorkomend'. Het idee 'dwaalgast' kennen ze ook: in 1806 was een sneeuwuil met een zware storm in Amsterdam terecht gekomen en gevangen.

Wetenschap: het boek is fascinerend omdat het een mengel is van wetenschappelijke en informele taal. De ambitie is duidelijk om wetenschappelijk te zijn. Het gaat zover dat de maaginhoud van vogels ('het openen van vogels'!) bestudeerd wordt om te kijken wat hun voedselpatroon is. Het was een 'bijproduct' van het opzetten van de vogels. Daardoor kon men ook het geslacht van vogels vaststellen in gevallen waarbij het niet met behulp van het verenkleed mogelijk is. Wetenschappelijk gezien is dit zeker een vernieuwing.

Compleetheid: SOVON rekent 280 soorten tot Nederlandse vogels. De Nederlandsche Vogelen bevat ruim 200 soorten. Dus, een behoorlijk complete momentopname van die tijd. De uitgever Lannoo/KB heeft een eigen index gemaakt met zowel moderne als namen die Nozeman en Sepp gebruikten. Midas Dekker noemt het ontbreken van halsbandparkieten (logisch: die broeden pas de laatste 10 jaar in Nederland!). Iets interessanter zou zijn op te merken dat de turkse tortel ontbreekt (in 1949 eerste broedgeval in Nederland). Verder ontbreken: zilverreiger, raaf, tjiftjaf, fitis, fluiter, glanskopmees, snor. Vooral het ontbreken van fitis en tjiftjaf verbaast mij omdat het zeer karakteristieke voorjaarsvogels zijn en makkelijk aan hun zang te herkennen. De oorzaak is mij niet duidelijk.

Vogels als voedsel: "Geplukt en gebraden zijn zy niet minder smakelijk dan de lijsters en vinken" wordt er over pestvogels (!) geschreven. Over de Witte Srandloper: "Gebraden bevond ik ze een lekkere versnapering naby komende aan de Sneppen". In het najaar worden kieviten gegeten want dan zijn ze ongemeen vet. Zo'n prachtig vogeltje als het puttertje wordt als 'versnapering' gebruikt! Wat zonde zulke mooie vogels! Niets is zo onthullend over de mentaliteit van die tijd als dit soort zaken. Tsja, wat wordt er eigenlijk niet gegeten? De eetbaarheid en smaak worden als kenmerkende eigenschap van de soort opgegeven. Het maakt niet uit of de soort bijzonder, mooi of zeldzaam is. Ik kan een eindeloze hoeveelheid citaten geven van hoe men schreef en dacht over de culinaire eigenschappen van wilde vogels. Het was in die tijd misschien wel een beroep, in ieder geval een bron van inkomsten en een welkome aanvulling op het dagelijkse menu. Overbodig te vermelden dat de smaak van vogels niet voorkomt in moderne vogelgidsen. Evemin worden er in moderne vogelgidsen eieren of nesten afgebeeld.

Jacht: een zeldzame dwaalgast als de Zwarte Ooievaar wordt zondermeer geschoten. Zeldzaamheid is geen bezwaar, in tegendeel, het vergroot de waarde voor de verzamelaar en wetenschapper! Behalve jacht wordt er ook melding gemaakt van wrede gewoontes: "Onze boerenjongens slaen hen [gierzwaluwen] op den grond dikwils met een stok dood want gemeenlijk zijn zy'er bang voor". Anno 2014 kriijgt een boek over gierzwaluwen de Jan Wolkers Prijs voor het beste natuurboek. Wat een hemelsbreed verschil in mentaliteit. Ik zal niet meer voorbeelden van wreedheid geven, want je wordt er depressief van. Hoe kun je je levenswerk maken van het nauwkeurig beschrijven en afbeelden van vogels en tegelijk zo'n gebrek aan respect tonen voor hetgene je bestudeert?

Bewondering: behalve dat auteurs inzien dat vogels nuttig kunnen zijn, zoals uilen die muizen eten en zo de oogst sparen, genieten ze ook van de zang van nachtegaal, zwartkop en leeuwrik. De Roodstaert is een sierlijk vogeltje. De tamme of knobbelzwaan is een sierlijke vogel. Bewondering voor vogels wordt zo nu en dan terloops vermeld. Je zou verwachten dat bewondering voor vogels niet samengaat met het schieten van vogels. Wat je bewondert, maak je niet dood [1]. Inderdaad de Bonte of gevlakte leeuwrik die zo bekoorlyk zingt, moet je niet doodschieten (er zit sowieso weinig vlees aan!). Maar de meerderheid der soorten wordt routinematig geschoten. Dat begrijp ik niet. De vogelliefhebber anno 2014 gebruikt verrekijker en fototoestel, géén geweer. Hoe is dat zo gekomen?

Vogelbescherming: de blauwe reiger valt onder 'Edel Gevogelte', en het is daarom niet toegestaan hun nesten te verstoren of te beroven. Een nationale wetgeving ter bescherming van vogels bestond niet. Een enkele keer wordt melding gemaakt van een verordening om alleen om de twee jaar een bepaalde soort te schieten om de voorraad niet uit te putten. Zijn we er in de laatste 200 - 250 jaar echt zo veel op voouitgegaan? We verhandelen nog steeds uilen, ooievaars op markplaats.nl. Maar er is nu nationale en internationale wetgeving en de Partij voor de Dieren heeft er voor gezorgd dat wrede volkspraktijken verboden zijn.

Bijbel: Verwijzingen naar de Schepper en de Bijbel zijn zeldzaam, maar ze zijn er wel. Zo wordt over de (wilde of knobbel-) zwaan geschreven: "Door den Schepper daargesteld om op het water haar verblijf te houden".  Een prachtige, bijna ontroerende filosofische uitspraak: "Waartoe tog zoo veel verscheidenheids in de werken der scheppinge?". De vraag is 200 jaar later nog steeds actueel: Waarom zijn er zoveel soorten? vraagt Menno Schilthuizen zich af. Ik zal het hele citaat in een volgend blog geven omdat het zo mooi is en omdat het zoveel zegt over de denkwijze van die tijd.

DE NEDERLANDSCHE VOGELEN online
Later ontdekte ik dat het origineel bij de KB online staat en door te bladeren is.
Dit is een uitkomst voor ieder die het boek wil doorbladeren zonder het te kopen. Het enige nadeel is dat de huidige Nederlandse en wetenschappelijke namen van de vogels meestal afwijken van die in de originele NV en die staan alleen in de papieren uitgave. Handig overzicht van de pagina's: index deel 1, etc. Toelichting over het boek op de KB website. [update 26 dec 2014]  

De online versie is zeker een uitkomst aangezien de papieren editie uitverkocht is. Bol.com heeft zgn tweede hands exemplaren in de aanbieding voor 100 Euro duurder dan de normale prijs. Het is niet duidelijk of er een herdruk komt. De uitgever Lannoo heeft het boek geheel verwijderd van zijn website. Ook op de website van Vogelbescherming is het boek niet meer te vinden. In de NRC webshop staat het boek nog wel, maar is 'niet leverbaar'. Volgens boekhandel Paagman, Den Haag, zal een herdruk op 30 april 2015 verschijnen. In het museum Meermanno kan men de Nederlandsche Vogelen nog doorbladeren tot 4 Jan 2015. Zie ook dit introductie fimpje. [29 dec 2014]

Dankwoord
We hebben dit kostbare en kostelijke boekwerk aan Jan Lahmeyer te danken en aan een misverstand. Hij vroeg ons of we "het boek bij de tentoonstelling" wilden hebben. In de veronderstelling dat het om een standaard catalogus van A4 formaat ging, zeiden we argeloos: Ja, doe maar! Het bleek een 10 kilo zwaar 816 pagina's tellend luxe boekwerk te zijn. En zo is dit werk in ons bezit gekomen. Dit is naar waarheid opgetekend op den 21e Oktober van het Jaar 2014.

Noten
  1. "Ofschoon alle dieren onze bewondering waardig zijn, ... " opent de beschrijving van de pauw (p.787). De Paauw staat bovenaan op de lijst van mooiste vogels. Tegelijk: "De paauwenjacht is op Java, Sumatra en Bengalen een groot en bijzonder vermaak" (p.789). Hoe kunnen ze dat combineren?

17 October 2014

Laten we vader dronken voeren en dan met hem slapen


Filemon Wesselink met de Bijbel in Gewone Taal

Laten we vader dronken voeren en dan met hem slapen.
Dan kunnen van hem kinderen krijgen.
Een bekende tv-presentator leest voor uit de nieuwe Bijbel in Gewone Taal in het programma DWDD. En hij ontdekt schokkende teksten. In zijn woorden: "Lot gaat met zijn twee dochters naar de berg. Ze gaan hun vader dronken voeren. Op het moment dat hij slaapt gaan beide dochters met die vader sex hebben. Ik ben ontzettend benieuwd hoe dat afloopt." Dit is wat er in de Bijbel in Gewone Taal staat:
"Laten we vader dronken voeren en dan met hem slapen.
Dan kunnen van hem kinderen krijgen."
Het is net iets anders. Hier staat het hele verhaal:
Genesis 19:30-38 (King James Version (KJV))
32 Come, let us make our father drink wine, and we will lie with him, that we may preserve seed of our father.
33 And they made their father drink wine that night: and the firstborn went in, and lay with her father; and he perceived not when she lay down, nor when she arose.
34 And it came to pass on the morrow, that the firstborn said unto the younger, Behold, I lay yesternight with my father: let us make him drink wine this night also; and go thou in, and lie with him, that we may preserve seed of our father.
35 And they made their father drink wine that night also: and the younger arose, and lay with him; and he perceived not when she lay down, nor when she arose.
36 Thus were both the daughters of Lot with child by their father.
'Technisch gezien' is dit verkrachting, om precies te zijn: incestueuze verkrachting. Het is niet met wederzijds goedvinden gebeurd. En in dit geval is het niet een man die een vrouw verkracht, maar een vrouw die een man verkracht. En dat tweemaal. Het mag dan wel de 'Bijbel in Gewone Taal' heten, het is een zeer ongewoon verhaal!

Wat opvalt is dat het fragment nooit gedelete is uit de Bijbel. Lezen de Bijbellezers er over heen? Wordt er ooit over gepredikt? Of negeren ze het gewoon omdat het te onfatsoenlijk is volgens moderne christelijke normen? Of was dat in die tijd een gebruikelijke praktijk als vrouwen kinderloos dreigden te blijven? En dat in zo'n geval letterlijk alles geoorloofd is? In de Tien Geboden wordt incest niet expliciet verboden. Betekent dat incest onder omstandigheden is toegestaan? Als dat zo is, waarom dan vader eerst dronken voeren? 
Als het een gewoonte was in die tijd, dan kan dat verklaren waarom de Bijbelverteller zich nergens voor schaamde en het allemaal opschreef voor het nageslacht.

Ook vertelt dit verhaal ons dat de zusjes bepaald geen sexuele voorlichting nodig hadden: 1) ze wisten kennelijk het verband tussen sex, zwangerschap en kinderen krijgen, 2) ze wisten kennelijk wat je met een man moest doen om tot het gewenste resultaat te komen, zonder dat hij wakker werd. Bepaald geen kleinigheid en niet zonder risico. Mogelijke verklaring: er bestond in die tijd geen privacy, de hele familie sliep in één en dezelfde tent. Of ze hadden de kunst van hun dieren (hun vee) afgekeken.

Hoe dan ook, de dochters werden volgens het verhaal beide zwanger en baarden een zoon. Dat moet vader toch opgevallen zijn? Hij zal toch een verklaring eisen? Daar kom je toch niet mee weg? In principe kunnen de dochters alles ontkennen, want –volgens de tekst– heeft vader er niets van gemerkt.

reclame voor de ©Bijbel in Gewone Taal

Eén van de vertalers van de Bijbel in Gewone Taal, bijbelwetenschapper Matthijs de Jong schrijft hier: "Die verhalen zijn zo’n drieduizend jaar oud. Op zich niet heel gek dat daar ook dingen in staan die nu vreemd kunnen overkomen". Pardon? 'Drieduizend jaar oud'? Er is toch maar één God? God toen en nu is toch dezelfde God? Als God de maagd Maria zwanger kan laten worden zonder met een man te slapen, dan kan Hij toch hetzelfde doen bij de dochters van Lot?
Verder schrijft de Jong: "De Bijbel heeft veel wijsheid te bieden." Dank U wel. Het bovenstaande verhaal is een voorbeeld van Bijbelse wijsheid? Een verklaring van de dubbele incestueuze verkrachting geeft hij niet. Matthijs de Jong is dat alles wat je te zeggen hebt???

13 October 2014

Moet de evolutietheorie grondig herzien worden?

©Nature 8 Oct 2014
Does evolutionary theory need a rethink? is de kop van een opvallend artikel in de Nature van 8 Oct (gratis). Het is geschreven door 15 auteurs, zo lijkt het, maar het bestaat uit twee delen. Het eerste deel betoogd dat de evolutietheorie grondig herzien moet worden (8 auteurs) en het tweede deel dat dat helemaal niet nodig is (7 auteurs). Het is geen research artikel, maar een opinie artikel. Wat de aanleiding is weet ik niet. Hier een korte impressie van het artikel. Het is ondoenlijk om hier een evenwichtig, goed onderbouwd oordeel te vellen over het vraagstuk. Het gaat hier in feite over de ontwikkeling van de evolutietheorie sinds Darwin in 1859 zijn Origin of Species publiceerde.

De voorstanders van de herziening (ik noem ze 'de progressieven') verwijten een deel van hun collega's (ik noem ze 'de conservatieven') dat ze de evolutietheorie na Darwin versmald hebben tot populatiegenetica. Hier komt het op neer: random genetische variatie, natuurlijke selectie, aanpassing. Evolutie werd en wordt door hen simpelweg gedefinieerd als verandering van genen in de loop van de tijd. Maar daardoor raken een aantal zaken die niet herleid kunnen worden tot genen buiten zicht. En die zaken beinvloeden evolutie wel, en die moeten dan ook erkend worden als drijvende krachten van evolutie. Deze vier:
  1. developmental bias: [phenotypische] variatie wordt gestuurd door de embryonale ontwikkelingswijze en is daarom niet random
  2. phenotypic plasticity: de omgeving bepaald rechtstreeks het fenotype van het individu (buiten genen om)
  3. niche construction: organismen veranderen hun omgeving en daardoor beinvloeden ze natuurlijke selectie
  4. extra-genetic inheritance: organismen erven méér over dan alleen hun genen (ook wel epigenetica genoemd)
Als U dat te technisch wordt, hier is de rode draad: genen zijn niet alleen-bepalend voor evolutie. De progressieven claimen dat ze een aantal verschijnselen beter kunnen verklaren dat het standaard model. Ze gaan zelfs zover te claimen dat hun 4 mechanismes de centrale feiten van evolutie, aanpassing en soortvorming, kunnen verklaren. Het wordt hoog tijd dat dit erkend wordt menen ze.


All is well
De 'conservatieven' menen -heel toepasselijk- 'all is well'! Ze beginnen hun betoog met een enigszins misleidende opmerking over Darwin. Darwin had zich al gerealiseerd in een van zijn laatste boeken over wormen dat wormen hun eigen milieu creëren. Een lesje voor de Niche Construction theoretici: er is niets nieuws onder de zon. Darwin had eigenlijk al een Niche Construction theory and wij evolutiebiologen hebben dat altijd al gevolgd. Die opmerking is niet geheel terecht want in zijn meest gelezen en invloedrijkste hoofdwerk The Orgin of Species komen wormen niet aan bod [1]. Verder zeggen ze dat in de jaren 1936 – 1947 (klassieke) genetica geïntegreerd werd in de evolutietheorie. Dat is waar, maar dat genetica tot een soliede begrip van aanpassing en soortvorming leidde lijkt mij behoorlijk overdreven. Het klopt dat de ontdekking van DNA in 1953 een grote revolutie teweegbracht in de evolutietheorie. De conservatieven voeren dit op als bewijs dat de evolutietheorie niet in steen gebijteld is en continu verandert.
De vier processen die de progressieven opvoeren (zie boven) hebben voldoende aandacht in de evolutietheorie (ze geven enige bewijzen uit de literatuur) en daarom is een nieuwe revolutie en een nieuwe naam voor de evolutietheorie niet nodig [5]. Het is niet gebrek aan aandacht, maar van voldoende bewijs voor de 4 alternatieve processen dat het probleem is. Bovendien zijn hebben veel evolutiebiologen eigen verlanglijstjes van onderwerpen die ook meer aandacht verdienen. Maar daar kunnen we niet aan beginnen. Evolutiebiologie is levendig, modern en open-minded. Maakt U zich geen zorgen. Alles komt goed.

De progressieven verwijten de conservatieven dat in hun evolutietheorie alles om genen en DNA draait (minachtend: 'gene-centric'). Maar dat is toevallig –zowel theoretisch als empirisch– het meest soliede gedeelte van de hele evolutietheorie! Evolutie is niets anders dan natural selection, drift, mutation, recombination and gene flow. De vier alternatieve niet-Darwiniaanse processen zijn slechts kleine toevoegingen aan deze hoofdprocessen en zijn niet essentieel voor evolutie. Alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen ze invloed op evolutie uitoefenen. Eerlijk gezegd zijn punt 1 en 4 sowieso nog lang niet voldoende onderbouwd om opgenomen te worden in de evolutietheorie. Geen gepraat! Aan het werk!

De conservatieven reageren alsof zij in de regering zitten. De progressieven worden tot oppositie gedwongen. Uw problemen hebben onze aandacht en alles wat nuttig en waar is hebben we al opgenomen in ons belied. Wij nodigen U uit om constructief met ons mee te werken aan de toekomst van ons mooie land.

Er zit een grote tegenstrijdigheid in de boodschap van de gevestigde orde: Darwin heeft, en in navolging van Darwin hebben wij altijd al aandacht aan Uw kritiekpunten besteed, én die punten zijn niet belangrijk en slecht onderbouwd.

Ikzelf vind de evolutietheorie zoals voorgesteld door 'de gevestigde orde' een verarming. Als 'natural selection, drift, mutation, recombination and gene flow' de kern is van de evolutietheorie, dan zijn we niet veel verder gekomen dan de populatiegenetica van de jaren dertig. We hoeven ons niet te verbazen dat dit zijn weerslag vindt in de evolutiehandboeken die studenten voorgeschoteld krijgen [3]. Evolutiehandboeken worden door 'de gevestigde orde' geschreven. Zoals ik eerder op dit blog [2] en op mijn website [4] heb beschreven, is evolutie een planetair verschijnsel en moet ook in die context bestudeerd en onderwezen worden. En zelfs dat is niet voldoende. De alles-overkoepelde context van biologisch evolutie is Big History: voortgekomen uit cosmologische evolutie en zich voorzettend in menselijke culturele evolutie. 

Mijn droom: een evenwichtig evolutiehandboek dat door beide partijen is geschreven...

Noten
  1. Je kunt makkelijk een search doen op de site Darwin Online van  John van Wyhe. Het woord 'worm' komt maar 4x in The Origin voor, waarvan 1 in de literatuurlijst en de andere 3 zijn niet relevant.
  2. blog: Big History: een synthese van kosmologie, evolutie, en cultuurgeschiedenis 
  3. blog: Evolutiehandboeken beoordeeld vanuit het Big History perspectief. Tien miljard jaar in de prullenbak?
  4. o.a. hier: About this site en verspreid over de hele WDW website.
  5. Over de Extended Evolutionary Synthesis zeggen de  'conservatieven' tegenstrijdige dingen: 
    1) "But we do not think that these processes deserve such special attention as to merit a new name such as ‘extended evolutionary synthesis’."
    2) "We, too, want an extended evolutionary synthesis, but for us, these words are lowercase because this is how our field has always advanced."

06 October 2014

What is Life? Addy Pross. Boek bespreking.

postscript 8 okt
Addy Pross: What is Life?
De theoretisch chemicus Addy Pross heeft een geslaagd en intrigerend boek geschreven over de What is Life? vraag. Fundamentele principes staan centraal en chemische details zijn afwezig. De paperback is april 2014 verschenen. Ik heb met volle tevredenheid de Kobobooks ebook versie gebruikt. Vooral de zoekfunctie is een enorme bonus.

70 jaar geleden hield de beroemde fysicus Erwin Schrodinger een beroemd geworden lezing What is Life? Addy Pross heeft het probleem opnieuw aangepakt met de kennis van nu. En met zijn originele kijk op de zaak. Het is een boek dat ik afgelopen zomer gelezen en herlezen en samengevat heb, omdat de onderwerpen Wat is leven? Hoe is het ontstaan? Kun je leven maken? ontzettend spannend is en mij al jaren bezighouden.
Drie onderling verbonden vragen. Met What is Life? bedoelt Pross
 niet zozeer een definitie, maar een aantal opvallende eigenschappen van het leven
gebaseerd op een achterliggende theorie.

Het boek is bovendien een bijzonder goed voorbeeld van hoe je wetenschap uit kunt leggen aan geinteresseerde leken. Vaak gebruikt hij goed gekozen metaforen om technische zaken uit te leggen. Hoewel chemie centraal staat, komen er geen chemische formules in voor die moeilijker zijn dan H2O en wordt je niet bedolven worden onder chemische namen. Zelfs de overbekende bases in DNA (Adenine, Cytosine,..) worden uitsluitend met hun afkortingen A,T,C,G,U aangeduid. 

Ik vond het boek zo belangrijk dat ik een review voor mijn WDW website heb geschreven. Het is alweer een tijd geleden dat ik een boek zo belangrijk vond dat ik de moeite nam om een review te schrijven. Dat review (in het Engels) geeft een samenvatting en kritiek. Dat ga ik hier niet herhalen. Hier volsta ik met waarom ik het boek zo belangrijk vind. Addy Pross heeft de draft versie van mijn review gelezen, en hij heeft er zeer positief op gereageerd. Hij vond het review 'thoughtful', 'clear and incisive', 'pertinent and requiring some response'. Absoluut een beloning voor mijn moeite dat de auteur van een boek wil reageren!

Waarom ik het boek zo nuttig vind

Het aardige is dat Pross niet schuwt om wetenschappelijke publicaties naar het ontstaan van het leven te kritiseren. Hij doet dat op basis van zijn onderscheid 'historisch' versus 'ahistorisch' onderzoek. Voor mij was dat een nieuw en belangrijk onderscheid. (Achteraf weet je natuurlijk alles). 

Het historische onderzoek heeft de ambitie de precieze omstandigheden bij het ontstaan van het leven te reconstrueren. En welke opeenvolgende stappen er geweest moeten zijn. Het probleem met dit soort onderzoek is dat het nooit bewezen of weerlegd kan worden. Het kan er zéér plausibel uitzien, maar niemand kan weerleggen dat het zo gebeurd is. Want dit soort historie is niet toegankelijk omdat het geen fossielen heeft nagelaten. Het is nl. allemaal 'softe chemie'. Bovendien zijn er tegenstrijdige scenario's voorgesteld: de ene in de diepzee en de andere aan klei-oppervlaktes. Het verschil kan niet groter zijn, zegt Pross. Die kunnen niet tegelijk waar zijn. Daar zit dus een fundamenteel probleem. Maar dat lees je niet in de publicaties zelf. Ik vond dit één van de meest waardevolle inzichten in het boek. Voor mij dan.

Het 'ahistorische' betekent het onderzoeken van chemische reacties in het lab die mogelijk kunnen leiden tot levensvormen. Dit heeft meer kansen van slagen vindt Pross. Je hebt hier te maken met eeuwig geldende natuurwetten die ook 3,5 miljard jaar geleden gegolden hebben. Beroemde voorbeelden zijn de experimenten van Spiegelman, Joyce en von Kiedrowski met RNA. Je gaat dit soort publicaties met andere ogen bekijken.

hydrothermale bronnen scenario

Het historisch/ahistorisch onderscheid kun je profijtelijk toepassen op de recente publicatie van Nick Lane over naar ionenpompen in hydrothermale diepzee bronnen [1]. Is dit onderzoek historisch of ahistorisch? of beide? Onmiskenbaar zijn hydrothermale bronnen een hypothese over het ontstaan van het leven. Dus historisch. Dus: niet verifieerbaar? Vragen dringen zich op: zijn er aanwijzingen dat deze bronnen 3 - 4 miljard jaar geleden op aarde bestonden? Is dit vraagstuk überhaupt empirisch toegankelijk? Is er enige zekerheid over te verkrijgen? Zijn de modellen van Nick Lane te weerleggen met empirische informatie? 
Wat betreft de ahistorische aspecten: zijn ionenpompen misschien een universele wetmatigheid? Zo ja, dan zou je die chemische wetmatigheden in principe in het laboratorium kunnen onderzoeken. Dan is het een weerlegbare hypothese.
Of kun je ze op de zeebodem ter plekke te onderzoeken? (zal wel erg lastig zijn!).
Het nuttige van Pross is dat je zonder zijn boek dit soort cruciale, fundamentele vragen niet gauw gesteld zou hebben. De auteurs van dat soort artikelen doen het ook niet. Beste auteurs: waar zijn jullie mee bezig: historisch of ahistorisch onderzoek? :-)

Wat is de drijvende kracht?
 
Een enorm belangrijke vraag van Pross, misschien wel de belangrijkste van het hele boek, en van het hele vakgebied 'Origin of Life': wat drijft chemische systemen zich te ontwikkelen tot levende systemen? Waarom worden ze complexer? Welke fysische of chemische kracht drijft bepaalde chemische systemen zich te ontwikkelen van simpel naar complex? Nota bene tegen de Tweede Hoofdwet van de Thermodynamica in. Tegen de tendens in van degradatie, simplificatie, chemische inertheid, dood. Als je deze vragen niet stelt, ben je bezig met toe redeneren naar het bekende eindresultaat, de levende cel. Je moet de vraag oplossen waarom eenvoudige systemen uit zichzelf complexer worden. Die vraag wordt volgens Pross in het vakgebied niet voldoende serieus genomen. Het is de sleutel tot het begrijpen van het ontstaan van leven. Voor mij was het een opsteker. Daarom vind ik het boek belangrijk.

Er zijn meer belangrijke inzichten uit zijn boek te halen. Pross zegt nog een aantal pittige zaken over evolutie en biologie in het algemeen. 

Conclusie: ik heb blijvende inzichten ontleend aan Pross' boek. Dat zal het mogelijk maken bestaande en toekomstige publicaties over de Origin of Life kritischer te lezen. Dat is de grote verdienste van Pross.

Noten
  1. Nick Lane et al A Bioenergetic Basis for Membrane Divergence in Archaea and Bacteria PLOS 2014. Dit is het artikel waar Marleen over geblogd heeft: De eerste ionenpompen en de oorsprong van leven, Op Zoek naar De Klepel, augustus 13, 2014 
Het complete review van Addy Pross What is Life? op mijn WDW website.

Vorige blogs over dit onderwerp:
Een nieuwe definitie voor 'leven' 15 juli 2014.

Postscript 8 okt 2014

Nog een aardig artikel om te analyseren met behulp van Pross' onderscheid historisch/ahistorisch: Early bioenergetic evolution,  10 June 2013 (getipt door Gerdien op blog Rene).
Merk op dat het artikel nota bene begint met een (impliciete) definitie van 'leven':
Life is the harnessing of chemical energy in such a way that the energy-harnessing device makes a copy of itself. Let op: het woord 'cell' komt er niet in voor (in overeenstemming met Pross).  Let op: a copy of itself komt overeen met 'replicative chemistry'.
Dit is duidelijk historisch: "Many settings have been proposed as the site for the chemical synthesis for life's building blocks" en zou dus oncontroleerbaar moeten zijn volgens Pross. Idem historisch: oceans or ponds of organic soup, organics delivered from space.

Het creëren van building blocks is duidelijk een fase vóór replicative chemistry: "Many settings have been proposed as the site for the chemical synthesis for life's building blocks" omdat building blocks zichzelf niet kunnen repliceren. Dan gelden in die fase ook andere chemische principes. Ik weet niet of Pross daar aandacht aan besteedt. Het creeren van building blocks is ahistorisch, omdat het in het lab nagebootst kan worden, en de 'settings' is vnl historisch.
Het wordt aan de lezer overgelaten om de rest van het artikel te analyseren mbv Pross.