Bespreking Een beestachtige geschiedenis van de filosofie, van Erno Eskens (2015), ISVW uitgevers, hardback, 478 blz., 310 illustraties in kleur en zwart-wit, glanzend papier, uitgebreid notenapparaat, literatuurlijst, register, met leeslint. prijs € 37,50
Een beestachtige geschiedenis van de filosofie gaat over de vraag: wat hebben grote filosofen in de Westerse filosofie gezegd over het zelfbeeld van de mens, over dieren, over het verschil tussen mens en dier, en de mens-dier relatie. Eskens behandelt dit onderwerp chronologisch, beginnend met de Griekse filosofie en eindigend met nog levende filosofen. Hij wil deze geschiedenis schrijven zonder moreel oordeel. In het slothoofdstuk geeft Eskens zijn eigen filosofie van het dier, volgens mij een originele opvatting over het dier. Die opvatting bevat ook een waardeoordeel, want het zegt iets over hoe we ons zouden moeten gedragen ten opzichte van dieren.
De beestachtige geschiedenis
Filosofen hebben genoeg geschreven over dieren om zo'n beestachtige geschiedenis mogelijk te maken. Bovendien vat Eskens het begrip 'filosofie' ruim op. Er komen vele niet-filosofen aan bod: biologen als Carolus Linnaeus, Charles Darwin, Konrad Lorenz, Niko Tinbergen, Frans de Waal; rechtsgeleerden als Hugo de Groot en Thomas Jefferson; schrijvers als J. M. Coetzee; psychologen als B.F. Skinner, en de psychiater Sigmund Freud. Ik zie dat als een pluspunt. Wanneer relevant wordt ook de maatschappelijke context gegeven, zoals de bouw van gevangenissen, de aanleg van tuinen, slavernij, vrouwenrechten, etc. Hij beperkt zijn onderwerp dus niet geforceerd tot filosofen. Wanneer Eskens zijn taak zo ruim opvat is het boek zeker een beestachtig ambitieus project te noemen. Niet minder dan een Westerse cultuurgeschiedenis van mens-dier relaties van de afgelopen 2500 jaar! [1]
In de inleiding schrijft Eskens "Geen aap, dolfijn of olifant is in staat om een Kritiek van de zuivere rede te schrijven, of zelfs maar te lezen." Dat moge zo zijn, er is echter maar één van de 7 miljard mensen die bewezen heeft dat boek te kunnen schrijven, en dat is Immanuel Kant. En de groep die het werk kunnen lezen én begrijpen is maar net ietsje groter. Dat is niet representatief voor de menselijke soort. De menselijke soort is niet een soort waarvan de individuen dagelijks de Kritiek van de zuivere rede of soortgelijke werken bestuderen. Het is dus niet een correcte karakterisering van de menselijke soort. De gemiddelde mens leest zo'n boek niet, laat staan dat hij het zou begrijpen [5].
Het meest fascinerende van het boek vind ik dat mens-dier relaties in de loop der eeuwen zijn veranderd. Wat mij betreft zijn hoofdstukken 18 en 19 (toevallig over de 18e en 19e eeuw!) de belangrijkste hoofdstukken omdat daar het begin zichtbaar wordt van een omslag in het denken over dieren. Descartes is berucht door zijn opvatting dat dieren automaten zijn en dus geen pijn kunnen voelen. Spinoza en Voltaire reageren daartegen door op te merken dat dieren geen automaten zijn en wel gevoel hebben. Kant meende nog dat mensen geen plichten hadden ten opzichte van dieren (dieren zijn dingen!), maar een beschaafd mens martelt dieren niet, en behandelt ze 'humaan'. De filosoof Bentham zegt over mensen dat "uit ons vermogen tot pijn en genot volgt dat we belangen hebben". Merkwaardigerwijs geeft Eskens hier niet het beroemde Bentham citaat "The question is not, Can they reason? nor, Can they talk? but, Can they suffer?" [2].
Filosofen die mij verder opvielen: Pythagoras was vegetariër, Aristoteles niet (dieren zijn er om op te eten!); Plutarchus was als enige van zijn tijd tegen onnodig dierenleed (dieren zijn slim en hebben bewustzijn!); volgens de Bijbel: "alles wat beweegt is voedsel voor U" (!); over de opvattingen van Jezus zegt Eskens niets, Jezus was geen vegetariër, want hij at in ieder geval vis en waarschijnlijk ook (lams)vlees, en heeft nooit iets aardigs over dieren gezegd, en reisde op de rug van een ezel; de Romeinen gingen op zijn zachtst gezegd weinig respectvol om met dieren, denk aan de dierengevechten [3], Franciscus van Assisi heeft in feite niets (vriendelijks) over dieren geschreven; Michel de Montaigne pleit voor respect voor dieren en had helaas maar een kleine groep volgelingen; het is niet bewezen dat Leonardo da Vinci een vegetariër was; John Locke had compassie met dieren (het dier reageert als een automaat, maar dat is geen reden om onaardig tegen dieren te doen [4]); Jean-Jacques Rousseau deed aardig tegen zijn hond omdat het een bezield dier was; Schopenhauer was pro-dier; Nietzsche was niet wreed tegen dieren; Albert Schweitzer (eerbied voor het leven) liet zich fotograferen met het symbool van de onschuld: het ree. Hitler trouwens ook (de afbeeldingen komen in het boek voor!).
Moderne, nog levende filosofen als Peter Singer ontbreken natuurlijk niet.
Slothoofdstuk
Het slothoofdstuk is samenvattend en iets meer thematisch, hoewel daar ook weer de drie tijdperken gebaseerd op een metafoor van Plato terugkomen, met dwars daar doorheen een andere chronologische indeling: 'de eerste, tweede en derde dierenbevrijding'. Na de tweede wereldoorlog verandert de verhouding tussen mens en dier opnieuw en dat zou dan 'de vierde dierenbevrijding' zijn? Hoe dan ook, de filosoof Jeremy Bentham blijkt een keerpunt te zijn in het denken over dieren. "Wat aansluit bij de werking van het fysieke lichaam is goed". Daarom komt het er op aan pijn te vermijden. Henry Salt (1851-1939) gaat nog verder en wil dieren rechten geven gebaseerd om hun behoeftes.
Vanaf 1870 begint de industrialisering van de landbouw en veeteelt op gang te komen die uitmondt in de huidige bio-industrie. Paradox: de dierfilosofie wordt diervriendelijker, de praktijk wordt wreder en wreder. Eskens benoemt deze discrepantie niet expliciet. Vlees is nog nooit zo massaal en zo goedkoop geproduceerd. Dientengevolge hebben dieren in de 'intensieve veehouderij' het nog nooit zo slecht gehad. Zijn er filosofen die dit expliciet ontkennen en dieren rechten onthouden? Bestaat er een Descartes in een modern jasje?
 |
Twee versies van een landschap door Humphry Repton.
In de onderste versie zijn de stukken vlees en de ganzen verwijderd
(tevens de oude man met ooglap, houten been en geamputeerde arm,
en de postkoets, en vervangen door heggen en rozenstruiken.
Afbeelding: Erno Eskens (2015), pag. 261. [6]
De originelen zijn hier en hier te zien. Toelichting hier. |
De onzichtbaarheid van de bio-industrie en vooral wat er in slachthuizen gebeurt is misschien de achterliggende gedachte bij de ongebruikelijke vraag van Floris van den Berg bij de promotie van Eskens om een plaatje toe te voegen die de realiteit van de bio-industrie zichtbaar maakt. Maar ook een ongepaste opmerking tegen iemand die een boek heeft geproduceerd met ruim 300 illustraties, aangezien er in de boeken van van den Berg geen plaatjes voorkomen. Eskens toont met bovenstaand plaatje [6] aan dat men dode dieren (dwz herkenbare onderdelen van een dier) op een gegeven moment in de geschiedenis aan het zicht wil onttrekken. Verder heeft Eskens nog een afbeelding op pagina 388 van een groots opgezet slachthuis rond 1873 in Amerika, een voorloper van de bio-industrie.
Als je weet hoe Eskens over dieren denkt dan heeft hij een behoorlijke neutrale geschiedenis van het denken over dieren geschreven. Alleen in het slothoofdstuk komt iets van zijn eigen
mening naar voren, gebaseerd op zijn vorige boek Democratie voor dieren. Ik ben nieuwsgierig geworden naar dat boek. Eskens eigen theorie is gebaseerd op het idee dat dieren iets willen, en dus belangen hebben. Je kunt het niet aan ze vragen, maar je kunt ze observeren. Mee eens. Je kunt stress observeren en meten. Net als bij mensen. In mijn eigen woorden: dieren hebben lichamen, en dus kunnen ze hongerig, dorstig, vermoeid, angstig, oververhit, onderkoeld, gewond of ziek zijn. Net als mensen. Dus zouden dieren net als mensen gevrijwaard moeten zijn van deze ongemakken. Aangezien zij niet voor zichzelf kunnen opkomen, net als babies, geestelijk gehandicapten en demente bejaarden, moet iemand ze vertegenwoordigen in de politiek. Zijn promotor Paul Cliteur zei heel gevat: mensenrechten is eigenlijk een discriminatoir begrip. Vergelijk de term met 'mannenrechten'.
Ik vraag mij af hoe een geschiedenis van mens-dier relaties er uit zou zien als het door een historicus, jurist, kunsthistoricus of bioloog geschreven zou zijn. Grotendeels dezelfde personen zouden aan bod komen, maar vermoedelijk zouden filosofen als Plato, Spinoza, Levinas, Jaspers, Foucoult, Lyotard, Derrida, Heidegger, Sloterdijk ontbreken. Er zouden ongetwijfeld personen of zaken in voorkomen die niet in dit boek te vinden zijn.
Op pagina 387 staat: 'aminozuren in het menselijk DNA'. Er zitten geen aminozuren in DNA, er zitten wel eiwitten, dus aminozuren, in chromosomen. Interessant is dat Eskens een oproep doet aan biologen om een indeling te maken van dieren op basis van het vermogen pijn te lijden zodat dieren een adequate bescherming kunnen krijgen [7].
Deze geschiedenis van het dier in de filosofie is nuttig omdat je in hedendaagse dieronvriendelijke meningen vaak de meningen van filosofen in het verleden kunt herkennen. Het is een werk dat makkelijk leest, en dat je goed als naslagwerk kunt gebruiken. Ook al vanwege de vele referenties naar de literatuur. En natuurlijk is het een plezier om door te bladeren vanwege de vele illustraties.
Tenslotte nog één punt van kritiek. Eskens citeert Charles Darwin op een problematische manier. Dat komt aan de orde in een volgend blog.
Noten
- Het is in ieder geval veel ruimer van opzet dan bijvoorbeeld Het dierloze gerecht. Een vegetarische geschiedenis van Nederland van Dirk-Jan Verdonk. Of het Engelse 'Man and the natural World' dat zich beperkt tot Engeland en 3 eeuwen beslaat, zie noot 6. Een bioloog of historicus zou De Nederlandsche Vogelen vermelden, met name de wreedheid ten aanzien van vogels vermelden, zie mijn blog: Nederlandsche Vogelen (5) Zo vroom en zo wreed. Waarom vroomheid niet helpt tegen wreedheid (26 Jan 2015)
- Bentham wikipedia artikel
- De verhouding tussen Romeinen en wilde dieren (website)
- "Locke vindt dat ouders moeten optreden tegen kinderen die dieren mishandelen. Want die gewoonte om dieren maar te martelen en te doden zal uiteindelijk op een of andere manier ook leiden tot hardheid jegens mensen" (p.212)
- Een iets betere vergelijking zou zijn het lezen van de Koran of de Bijbel! Vergelijk: er heeft maar één van de 7 miljard mensen bewezen de Matthäus-Passion te kunnen componeren. Zie mijn blog: De muziek van vogels en walvissen is toch iets anders dan Bach
- Erno Eskens schrijft in noot 456 dat de tekening voorkomt op pagina 300 van Keith Thomas 'Man and the natural World. Changing attitudes in England 1500-1800', Penguin London, 1983. Maar op pagina 300 staat een zw afbeelding van een haas. De Penguin pocket bevat sowieso geen kleurenafbeeldingen en geen schilderij van Humphry Repton.
- De enige dieren die geen spieren of zenuwen hebben: Sponsdieren (Porifera) en Plakdiertjes (Placozoa) kunnen waarschijnlijk geen pijn lijden. Misschien moeten we deze dieren gaan gebruiken als bron van dierlijke eiwitten (vlees kun je het niet noemen, want ze hebben geen spieren! maar: waarom zou je spieren willen eten?) [toegevoegd: 21 jan 2016]
Op 23 september 2015 promoveerde Erno Eskens aan de Universiteit Leiden op het
proefschrift Een beestachtige geschiedenis van de filosofie. Zie:
Erno Eskens promoveert op Een beestachtige geschiedenis van de filosofie I, en deel 2 op vimeo (23-09-2015) en hier. De volledige titel van het proefschrift luidt: "Een beestachtige geschiedenis van de filosofie: De veranderde verhouding
tussen mens en dier in het psychologische, politieke, juridische en
wijsgerige denken.". Ik kon het proefschrift niet vinden in de database van de Leidse Universiteit. Erno Eskens was ook te gast in Wim Brands boekenprogramma.
Naschrift