03 februari 2011

Het intron-mysterie voor gevorderden (1)

In dit blog en een volgend blog wil ik proberen een antwoord te vinden op de vragen:
  1. welke biologische soorten hebben introns?
  2. wat is het nut van introns?
  3. hoe zijn introns ontstaan?
  4. hoe verklaart de evolutietheorie introns? hoe verklaren creationisten introns?

Welke organismen hebben introns?
We kunnen de vraag naar het nut of schadelijkheid van introns pas goed beantwoorden als we voldoende goede gegevens over introns hebben. Hieronder ziet U een verhelderend plaatje (1). Het toont het gemiddeld aantal introns per gen in verschillende planten en diersoorten.

uit: Koonin (2006) Intron dichtheid voor verschillende eukaryoten
Microsporida, S.pombe, slime mold : eencelligen, Neurospora, Aspergillus: schimmel,
Nematode: grote groep van vaak parasitaire wormen.
(klik op plaatje voor vergroting)
Onmiddellijk valt op de grote spreiding van géén introns tot 8 introns per gen. Het is dus niet een kwestie van alles of niets, maar een gradatie. Ten tweede: er zijn organismen die géén introns hebben. Het kan dus wel. Ten derde: 'complexe' meercellige organismen hebben méér introns per gen dan eenvoudige ééncellige organismen. Zoogdieren en vogels hebben maar liefst gemiddeld 8 introns, planten (4 introns) zitten tussen vissen (3 introns) en wormen (5 introns) in. Bacterieën (niet in plaatje) hebben helemaal geen introns. Dit is voorlopig even voldoende wat data betreft.

Waarom die verschillen?
Bovenstaand plaatje roept onmiddellijk vragen op. Als introns schadelijk zijn, zijn ze dan minder schadelijk voor zoogdieren en vogels (die hebben er méér) dan voor planten en ééncelligen? Of, als introns toch op de één of andere manier nut hebben, hebben ze dan meer nut voor grotere, complexe dieren dan voor kleine, eencellige dieren? Er is een theorie die zegt dat op grond van populatie-genetische overwegingen kleinere organismen (denk aan bacterieën) beter in staat zijn om introns te elimineren (2). Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Stel dat er bij iedere soort selectie tegen introns is. Dan is bij soorten met hoge voortplantingssnelheid (vaak kleinere dieren die in grote aantallen voorkomen) selectie beter in staat introns te verwijderen. Men zegt wel: ééncelligen hebben gestroomlijnde genomen. Mooie uitdrukking. Deze theorie lijkt een aardige verklaring te geven voor de data, maar veronderstelt naar mijn idee dat introns nadelig zijn. Want natuurlijke selectie verwijdert bij voorkeur nadelige eigenschappen. Dat introns nadelig zijn ligt ook wel voor de hand, zoals we in het vorige blog hebben gezien. Maar, een eventueel voordeel van introns is moeilijk in te passen in deze theorie.

Als we binnen de zoogdieren kijken, dan voorspelt de theorie dat kleine, zich snel voortplantende zoogdieren (bijvoorbeeld: muizen) minder introns moeten hebben dan olifanten. Dat is niet te zien in bovenstaande grafiek. Ik weet niet of daar gegevens over zijn. Zonder dit soort details kunnen we niet eens weten of die theorie een correcte en gedetailleerde beschrijving geeft van de data, laat staan verklaart.

Een andere mogelijkheid is dat het aantal introns positief gecorreleerd is met complexiteit. Veel introns zou dan gunstig zijn voor complexiteit. Een complicatie is dat meercelligen behalve compexer, meestal ook groter zijn dan ééncelligen. Deze twee verklaringen sluiten elkaar niet uit omdat complexiteit, lichaamsgrootte en trage voortplanting meestal samen gaan.

Aanwijzigingen dat introns nut hebben
Als bacterieën géén introns hebben, dan kunnen ze niet onmisbaar zijn. Tenminste niet voor bacterieën en een aantal ééncellige eukaryoten. Er kan dus geen universeel nut van introns bestaan. Maar misschien hebben introns bij voorkeur in meercellige dieren een nuttige functie? Er zijn intrigerende aanwijzingen dat introns een functie kunnen hebben. In mijn vorige blog had ik het over knipfouten. Dat veronderstelt dat het nadelige mutaties zijn. Maar stel dat het gewoon variatie's zijn die naast de standaard knip optreden (dit noemt men alternative splicing). Dit blijkt bij 40% van de genen van planten en dieren voor te komen en bij de mens mogelijk zelfs 70% (3). Nog een aanwijzing: er zijn wel 100 alternatieve knippen bij menselijke genen die een zeer sterke overeenkomst vertonen met die van de muis en de rat (3). Die noemt men ultraconserved introns. Dit duidt er meestal op dat ze een functie hebben. Als ze geen functie zouden hebben zou je op grond van de evolutietheorie verwachten dat ze steeds meer random verschillen zouden hebben geaccumuleerd. Men heeft gevonden dat sommige introns het aflezen van genen kunnen bevorderen. Verder zijn er aanwijzingen dat genen die vaak worden afgelezen kortere introns hebben. Dit wijst er op dat korte introns voordelig zijn. Dat heeft te maken met het feit dat het copieren van introns tijd kost. Voor een gen met vele en grote introns heeft men uitgerekend dat het 8 uur duurt voordat het afgelezen en verwerkt is, terwijl het zonder introns maar 12 minuten zou duren (3). Daar moet dus wel enige nut tegenover staan zou ik denken. Maar wat introns precies doen is in de meeste gevallen nog niet bekend. Dus bewijs hebben we nog niet. Ook moet je bedenken dat als je het nut van één intron hebt aangetoond, er gemiddelde nog 7 andere in een gen zitten waarvan je niet weet of ze nut hebben.

Lastig te interpreteren
Nog één feit. Het knip apparaat dat introns eruit knipt is bijzonder complex en groot. Het wordt spliceosome (Engels) of spliceosoom (Ned) genoemd. Het is het grootste moleculaire RNA-eiwit complex van de cel! Nog groter dan het ribosoom wat ook een groot RNA-eiwit complex is. De vraag is: pleit het spliceosoom nu voor het nut of de schadelijkheid van introns?
- Schadelijk: introns zijn schadelijk (in eiwitten) omdat ze er altijd uitgeknipt worden. Dus heb je zo'n duur spliceosoom keihard nodig. Vraagje: als je zo'n groot complex molecuul nodig hebt om introns er uit te knippen, ben je dan niet beter af als je beide elimineert? Een kwestie van stroomlijning? (zie: bacterieën!). Waar moet je beginnen met elimineren? Je kunt niet beginnen met het elimineren van het spliceosoom, want dan blijven alle introns zitten. Je kunt wel beginnen met het elimineren of inkorten van introns. Dat gebeurt ook. Maar zowel alle introns en het hele spliceosoom in één keer elimineren is gewoon niet te doen. Daarom zijn beide er nog.
- Nuttig: introns zijn nuttig ook als ze niet vertaald worden naar eiwit. Ze doen iets nuttigs in hun uitgeknipte vorm (dat is mRNA). Maar in dat geval moeten ze sowieso uitgeknipt worden. En daar heb je het complexe spliceosoom voor nodig. Dus om die paar nuttige intron functies heb je het hele knip apparaat nodig. En omdat het knip-apparaat toch bestaat, worden de nutteloze introns netjes uitgeknipt. En kunnen ze in iedere geval geen schade aanrichten in eiwitten. Ieder voordeel heeft zijn nadeel. En omgekeerd. Iedereen tevreden. Vraagje: hoe onderscheidt het knip- en verwerkingsapparaat de nuttige en de nutteloze introns? Dan krijg je dat weer. Bij de introns-zijn-nuttig opvatting heb je nog een probleempje: je moet veronderstellen dat niet alle dieren en planten evenveel nuttige introns hebben. Ze hebben immers verschillende aantallen introns (zie plaatje). Waarom is dat dan? Komt het allemaal neer op de volkswijsheid 'de voordelen wegen op tegen de nadelen?' En: de balans valt verschillend uit voor verschillende soorten? Ik ben er nog niet uit...

(de volgende blog over de evolutionaire geschiedenis van introns en wat creationisten over introns zeggen)

Bronnen
  1. Eugene V Koonin (2006) The origin of introns and their role in eukaryogenesis: a compromise solution to the introns-early versus introns-late debate? Biology Direct 2006, 1:22 (Open Access)
  2. Lynch, M. (2002) Intron evolution as a population-genetic process. Proc. Natl. Acad. Sci. U. S. A. 99, 6118-6123 
  3. Jeffares, Mourier, Penny (2006) The biology of intron gain and loss, TRENDS in Genetics Vol.22 No.1 January 2006 (pdf)

24 opmerkingen:

Gerdien de Jong zei

Voor zover er sprake zou zijn van nadeel van introns gaat het alleen over de afleestijd en daarmee de celdelingssnelheid. Bij bacterien (voor zover met snelle celdeling) zou een marginaal verschil in delingssnelheid al een heel klein selectieverschil op kunnen leveren. Bij heel grote populaties doet dat er dan toe, bij kleine populaties valt het weg in alle demografische toeval.
Sommige Archaea schijnen ook introns te hebben, trouwens.

Over hoe belangrijk alternatieve splicing is wordt getwist, zie blog Sandwalk.

gert korthof zei

Nadeel van introns:
alternative splicing kan ook fout gaan:
60% of human disease-causing mutations affect splicing! en er is ook een relatie met kanker.
Er wordt gezegd "Inrons are required for alternative splicing", maar als je een intron eruit kan knippen, kun je er ook een exon uitknippen, zodat je alternatieve eiwitten ook zonder introns kunt genereren! (je hebt alleen herkenningssites op het DNA nodig).

-Overigens is de afleessnelheid echt niet het enige: je verspilt energie, want alles kost energie, niets is gratis. Bovendien: wat gebeurt er met uitgeknipte introns? Je moet die weer afbreken. Ook daar heb je een betrouwbaar apparaat voor nodig, wat onderhouden moet worden. En ook dat mechanisme kan fouten maken!

-Verder vind ik de redenering: tijd verspillen door splicing maakt niet uit bij zich langzaam voortplantende dieren is een minachting voor natuurlijke selectie. Iedere efficientie verbetering is een concurrentievoordeel.

Gerdien de Jong zei

Natuurlijke selectie is niet oppermachtig. Selectie heeft de overhand over toeval als 4Ns>1, waarbij N de populatiegrootte van de diploide sexuele populatie is (vandaar de 4). Bij 100 individuen, dus als s>1/400. Bovendien moet je in feite de effectieve populatiegrootte nemen, die vrijwel altijd kleiner is dan het aantal individuen. Daarom selecteer je heel makkelijk op heel kleinde verschillen in bacteriepopulaties. Haploid: Ns>1 om selectie effectief te laten zijn. In een bacteriepopulatie van een miljoen kun dan nog werken met selectiecoefficienten van bijna een miljoenste.

gert korthof zei

Gerdien, ben je het dan met me eens dat "Als we binnen de zoogdieren kijken, dan voorspelt de theorie dat kleine, zich snel voortplantende zoogdieren (bijvoorbeeld: muizen) minder introns moeten hebben dan olifanten."?
En insecten zouden zeker minder introns/gen moeten hebben dan zoogdieren en vogels, en waarschijnlijk ook minder dan vissen?
Met andere woorden: als uitsluitend populatiegenetica bepalend is, dan mag er alleen een relatie zijn met lichaamsgewicht (of populatiegrootte) en niet met complexiteit.

2. Ben je het met me eens dat de Lynch populatiegenetische theorie van intron loss er vanuit gaat dat introns nadelig zijn?
Beter gezegd: Lynch aanname is: introns-early + introns zijn nadelig.

gert korthof zei

Gerdien, waren de eerste eukaryoten niet per definitie eencellig? Dan hadden volgens Lynch introns makkelijk ge-elimineerd kunnen worden, en zouden alle latere eukaryoten intron-vrij moeten zijn! Dit is evident niet het geval.

Gerdien de Jong zei

De eerste eukaryoten waren eencellig, maar dat is niet per definitie hetzelfde als het hebben van enorm grote populaties per soort (al is het wel makkelijker voor eencelligen om grote populaties te hebben dan voor olifanten).

Idem voor insecten: niet alle insecten hebben populaties van miljoenen, maar Drosophila melanogaster kan heel grote populaties hebben , en heeft ook minder introns dan mensen. C. elegans is ook een snelle voortplanting, grote populatie beest, en heeft ook relatief weinig introns.

Als je muizen en mensen wilt vergelijken kun je wat mij betreft 'muizen minder introns' als voorspelling nemen (mensen hebben nog steeds een vrij kleine effectieve populatiegrootte, ondanks de exponentiele populatiegroei van de laatste tijd). Ik weet niet wat de gegevens voor muizen en mensen zijn.

Ik ben er niet zeker van of Lynch 'introns early' als uitgangspositie neemt, het zou ook kunnen zijn dat Lynch 'introns late' neemt, met introns toevalszaken die je niet kwijt kunt raken. Hier zou ik Lynch op moeten nalezen.

gert korthof zei

Gerdien de Jong said "De eerste eukaryoten waren eencellig, maar dat is niet per definitie hetzelfde als het hebben van enorm grote populaties per soort": dat klinkt als ad hoc hypothese! Dat lijkt me niets voor jou, ik neem aan dat je publicaties kent?
De eerse eukaryoten zijn 1.78 - 1.45 miljard geleden ontstaan, en plm 1 miljard jaar geleden is er bewijs voor diversificatie van microscopische eukaryoten, dat betekent dat eencellige eukaryoten tenminste 450 - 780 miljoen bestaan hebben als eencelligen of microscopisch kleine meercelligen. Dus er tijd genoeg geweest om introns te verwijderen.

Als je nog iets tegen komt over introns/gen voor muizen en mensen, of insecten of mensen houd ik me aanbevolen!

"...zaken die je niet kwijt kunt raken." dat veronderstelt dat introns nadelig zijn! Ik lees nooit dat introns ook langzaam zouden kunnen toenemen (in kleine organismen) omdat ze een klein selectief voordeel zouden hebben....? jij wel?

Gerdien de Jong zei

Ik maak geen ad hoc hypothesen. Het gaat erover dat de effectieve selectie op introns afhangt van de populatiegrootte. Die weet je niet voor veel organismen.
Hoeveel introns er in eencellige eukaryoten zijn weet ik ook al niet.

gert korthof zei

Gerdien, zie grafiek in mijn post:
Microsporida, S.pombe, slime mold zijn eencellige eukaryoten en hebben <= 1 intron/gen. Als dat verklaart moet worden met negatieve selectiedruk voor weinig introns (omdat introns nadelig zijn en effectieve populatiegrootte groot is),waarom is dat niet van toepassing op de eerste eencellige eukaryoten?
Dus: de eerste eencellige eukaryoten waar alle eukaryoten van af stammen?

Gerdien de Jong zei

Die eerste eencellige eukaryoten weten we niets van, behalve door vergelijking van genen van bestaande eukaryoten. Hun poulatiegrootte weten we niet. We weten alleen welke introns bij alle nagekeken eukaryoten voorkomen.

Je hebt ook een stuk over 'intron gain' - wat doe je daarmee?

gert korthof zei

"- wat doe je daarmee?" : lezen!
Gao en Lynch 2009 is zeer interessant, kende ik nog niet.

Sharpton et al 2008 heeft eigenlijk geen ondubbelzinnige intron gain.

Als je steng bent over de vaststelling van effectieve populatiegrootte dan moet je dat ook voor alle soorten zijn. Als je effectieve populatiegrootte indirect inschat aan de hand van lichaamsgrootte, volume, gewicht, dan moet je dat ook toestaan voor uitgestorven eencellige eukaryoten.

Het mechanisme van intron gain is kennelijk niet gelijk aan transposons, mobile elements, virussen, etc met een echte insertie in een exon, maar puntmutaties die splicing sites creëren.

gert korthof zei

Gerdien, Lynch, M. (2002) Intron evolution as a population-genetic process is voornamenlijk een poging om intron verspreiding in de tree of life te verklaren met een neutraal model (random genetic drift en mutatie) zonder selectie. Hij vindt dat hij daarin slaagt. Hij heeft echter weinig interesse in empirische gegevens zoals wat is de werkelijke effectieve populatiegrootte van de soorten waar het over gaat, wat is de werkelijke positieve of negatieve selectiedruk van inrons? Wanneer hij het wel over negatieve selectiedruk heeft op introns heeft, lijkt hij het schromelijk te onderschatten. En voorbeelden van concrete positieve functies van intronen komen al helemaal niet aan bod:

"These results apply only to introns that have not taken on important functional roles preserved by positive selection".

Ze worden gewoon buiten beschouwing gehouden.

Wat betreft effectieve populatiegrootte doet hij vage uitspraken zonder ook maar één bron met empirische data van concrete organismes te noemen:

"Broadly speaking, unicellular organisms
have larger population sizes than multicellular species, and the majority of unicellular species may have global effective population
sizes >>10^10, which is large enough for the very weak mutation pressure against newborn introns to become evolutionarily significant."

Zo slordig doet hij dat.
En dan:
"If this hypothesis is correct, then we would also expect introns to be rare in unicellular eukaryotes, again not because of a failure to invent introns but because of the mutational constraints on their proliferation."

Maar dat impliceert zoals ik al in een vorig comment schreef: dat is evengoed van toepassing op de eerste eukaryoten! waarvan wij allen afstammen. Lynch is dus gedwongen te concluderen dat ook de eerste eukaryoten intron-arm waren:
"...it would further bolster the idea that the necessary population-size/mutation-rate
requirements for intron proliferation were met only after the origin of multicellularity and the associated reduction in effective population
size".
Met als gevolg dat alle introns in huidige meercellige eukaryoten een toename (gain) vertegenwoordigen in plaats van een afname (loss). Lynch is hiermee een aanhanger van introns-late hypothese.

Gerdien de Jong zei

Lynch is een voorstandre van introns-late, ja. En het gaat om een neutraal model - dat toch altijd als nulhypothese nodig is voordat je over de effecten van selectie kunt beginnen. Dat eencellige eukaryoten altijd van die enorme populaties hebben lijkt me overdreven - dat lijkt me het zwakke punt bij Lynch, niet dat er een verband tussen grote populatie en weinig introns bestaat. Pelagische foraminiferen en zo zullen wel grote populaties hebben, maar alle eencelligen is wat sterk. Ook het bestaan van introns in sommige Archaea staat daarmee op wat gespannen voet.
Bovendien lijkt het me dat althans een deel van de introns oud is, nl die introns bij beesten die in orthologe genen op dezelfde plek tussen functionele domeinen zitten. Introns die exons met van hetzelfde functionele domein splitsen komen zelden overeen in positie. Introns die samenvallen met domein grenzen doet toch denken aan dat introns als functie hebben alternative splicing mogelijk te maken. Zei je natuurlijk boven.

gert korthof zei

Het is eigenlijk heel vreemd dat er steeds wordt gesproken over aantallen introns per gen of per genoom. Alsof dat informatief zou zijn. Het is net zo weinig informatief om te praten over een gain of loss van het aantal genen van soorten. Waar het natuurlijk om gaat is: wat doen die 160.000 introns in het menselijk genoom? Wat is hun eventuele functie? Hoeveel hebben er een functie? Wat gebeurt er als we ze experimenteel verwijderen? Empirische data hebben we nodig. Dit zal nog tientallen jaren duren voordat we daar iets zinnigs over kunnen zeggen. NB: er zijn meer introns dan genen en we wetren er zo bitter weinig van.

Henk zei

Hallo Gert,

Ik geloof dat dit de eerste keer is dat ik weer reageer sinds je verhuist bent.

Ik las dit stukje over introns en toen vroeg ik me af? Waarom vind je deze introns en intron verwijderende eiwitten zo bijzonder? Naar mijn idee is dit helemaal niet zo vreemd. Als je ervan uit gaat dat alleen een cel met DNA wat zich dupliceren zich kan delen, en als je dan aanneemt dat een cel met DNA met introns zich niet kan delen. Dan blijven er voor een cel dus maar twee opties over;
1, Je hebt geen introns in het DNA
2, Je hebt wel introns maar ook introns verwijderende eiwitten.
Nummer twee is dan weliswaar een omslachtige methode, maar wel een methode die zorgt dat het DNA blijft voortbestaan. En dat is toch het enige waar het bij de evolutie om draait; Heeft het DNA de mogelijkheid om te blijven bestaan.

Of maak ik hier een denkfout?

gert korthof zei

Hallo Henk, welcome back!
Goede vraag!
Het enige waar het bij de evolutie om draait is voortplanting... met of zonder parasitair DNA...
En: het is waar: de mens heeft gigantisch veel parasitair DNA...

Maar: als soort A zich sneller voortplant dan soort B, dan is het bijna onvermijdelijk dat A (op de lange termijn) soort B zal verdringen.

Stel: soort X heeft introns en soort Y heeft géén introns maar lijkt verder in alle opzichten op soort X. Welke soort heeft de grootste kans de andere te verdringen? (aangenomen dat het concurrenten zijn)

Bedenk dat het uitknippen van introns letterlijk tijd en energie kost: soort X met introns groeit dus trager, soort Y zonder introns zal sneller groeien.
Ook zal soort X knipfouten maken door mutaties in het totaal van alle mechanismen die betrokken zijn bij splicing. Daar heeft Y geen last van. (zie ook mijn bijdrage aan de Junker & Scherer website over intron pathologie).
Op den duur zal soort Y (zonder introns) soort X (met introns) vervangen. Of maak ik hier een denkfout? Misschien onderschat ik de voordelen van introns. Maar, één ding is zeker: als er voordelen op lange termijn zijn: dat kan natuurlijke selectie niet weten. Selectie werkt alleen op korte termijn.

Beginsituatie is belangrijk:
1) begin je met intacte genen zonder introns? Dan is de toevoeging van een intron middenin een gen dodelijk.
2) Begin je met genen met introns + machinerie om ze eruit te knippen dan is het niet dodelijk en dan heeft iedere soort het en heeft niemand een voorsprong. Voorwaarde: je moet een geleidelijk evolutionair stappenplan hebben voor van de insertie van introns en de gelijktijdige verwijdering. Het moet samen op gaan. Dit scenario zou kunnen bestaan bijvoorbeeld via self-splicing.

Mijn voorspelling: elkaar beconcurrerende soorten zullen ongeveer hetzelfde aantal introns hebben.

gert korthof zei

Henk, als je introns met niet-coderend junk DNA vergelijkt, dan moeten ze beide gecopieerd worden bij iedere celdeling, maar introns zijn extra belastend omdat ze uitgeknipt moeten worden bij de synthese van ieder eiwit!

Henk zei

Gert, er is wel een evolutionair voordeel met een intronsknippend-eiwit ten opzichte van cellen met introns maar zonder intronsknippend-eiwit.
Verder ben ik wel nieuwsgierig naar de opmerking van Gerdien, die zegt dat er ook introns bestaan bij de Archeae. Hebben deze dan ook een intronsknippend-eiwit en is dit eiwit homoloog of analoog aan die van de eukaryoten?

Even een ander onderwerp; Je hebt nog geen linkedin account? Ik heb je een uitnodiging gestuurd op je wasdarwinwrong.com mail, want ik kon je daar niet vinden. Ik wil namelijk graag mijn netwerk aan biologen vergroten.

gert korthof zei

Henk, het is goed dat je even meldt dat je mij via linkedin een mail hebt gestuurd. Ik ken dat systeem niet, en heb net een waarschuwing gelezen dat er frauduleuze mailtjes rondgestuurd worden die de namen gebruiken van bekende sociale netwerken, en je op een link laten klikken en dan begint het gedonder. Vandaar. Ik zit niet bij linkedin, ik blog en heb een website, en dat vind ik (voorlopig) voldoende. Wat is de meerwaarde van linkedin?
Ik heb overigens op de Pagina Over mijzelf die bij dit blog hoort (zie kantlijn) mijn emailadres staan (als plaatje).

Archeae:
most archaean genes lack introns, although there are many introns in their transfer RNA and ribosomal RNA genes, and introns may occur in a few protein-encoding genes.
Er zijn ook type I en II introns waar ik het nog niet over gehad heb, het zijn vnl self-splicing introns die dus geen complex spliceosome nodig hebben. Men zegt dat ons spliceosoom afstamt van self-splicing introns.

Henk zei

Gert, wat betreft linkedin vond ik de volgende beschrijving op internet die het beter onder woorden brengt dan ik het zou kunnen.
Volgens LinkedIn maken meer dan 60 miljoen professionals gebruik van dit toonaangevende online netwerk om informatie, ideeën en mogelijkheden uit te wisselen. U kunt het netwerk gebruiken om:

■Mensen en kennis te vinden die u nodig heeft om uw zakelijke/professionele doelen te behalen
■Uw professionele identiteit online beter te beheren en controleren
■Op de hoogte te blijven van de activiteiten van uw contacten en de ontwikkelingen binnen uw industrie via LinkedIn Updates
■Contact te leggen met personeelsmanagers en wervingsconsultants via de functie InMail, om uw carrièremogelijkheden te vergroten.
■De Jobs Directory en personeelsadvertenties op LinkedIn te bekijken.
■Een complete lijst te bekijken van wie uw profiel bekeken heeft –- niet iedereen die professioneel interesse in u toont, neemt meteen contact met u op, maar als u slim bent en zelf contact opneemt, kan dit verborgen kansen bieden!
■Advies te vragen - - maak gebruik van de ervaring en kennis van deze omvangrijke professionele online gemeenschap!
■Vragen te beantwoorden om uw kennis te tonen en uw reputatie een boost te geven!
■Direct Advertising te gebruiken via een advertentie op LinkedIn die alleen bekeken kan worden door een door u ingestelde doelgroep.
■Mogelijke gastbloggers te zoeken in uw netwerk op LinkedIn en ze uitnodigen opmerkingen bij uw blog te plaatsen, wanneer u een blog heeft en om een goede tekst verlegen zit.
■Uw positie op de zoekpagina Google te verbeteren door uw profiel op LinkedIn beschikbaar te stellen voor indexering door zoekmachines.
■De zoekfunctie te gebruiken om mensen te zoeken op bedrijf, industrie en woonplaats. Zo kunt u uw prospects bekijken voordat u ze ontmoet of contacteert. Dit zijn slechts een paar van de tientallen mogelijkheden die LinkedIn biedt, en er komen dagelijks nieuwe opties bij!
http://www.wsi-netmanagement.nl/Nieuwsbriefmaart2010.aspx

Nu terug naar de Introns. Die eigenlijk best wel leuk zijn. Op de duitse wikipediasite (ben nog niet verder geweest dan wikipedia, sorry) staat dat introns soms ook een rol spelen bij het alternatief splitsen van een gen zodat een gen meerdere verschillende proteinen kan vormen, hierbij wordt tijdens het splitsen pas bepaalt of een stukje dna als intron of exon wordt behandeld. (dit is eigenlijk een stukje compressietechniek die ook bij computersoftware wordt gebruikt) Verder vraag ik me af -gezien het feit dat introns voornamelijk bij eukaryoten voorkomt- of die introns ook een functie kunnen hebben bij het vouwen van het dna in de celkern?

Henk zei

Je e-mailadres zag/zie ik niet staan bij "about me" ben ik kippig of moet je daarvoor eerst bij blogspot ingelogd zijn?

gert korthof zei

Henk, maar ik schreef ook niet 'About me' maar: Pagina 'Over mijzelf' (zie kantlijn) mijn emailadres staan (als plaatje).!

Ik vind de voorgeprogrammeerde About me waardeloos; je hebt niet de vrijheid om die pagina zelf in te richten.

Henk zei

Gevonden! Zover had ik nog niet gescrolled. Kun je die pagina's niet nog tussen "about me" en "Blog archive" zetten? Dat zou ik overzichtelijker vinden, of geeft blogspot die mogelijkheid niet?

Ik heb vorige keer alwel het juiste mailadres gebruikt, deze stond ook -net zo- op wasdarwinwrong.com

gert korthof zei

Henk, dat is een goede tip. Is gedaan.

Introns en alternative splicing: dat is ter sprake gekomen in de commentaren van posts over introns. Alternative Splicing (AS) is een actief onderzoeksgebied, het is vastgesteld in diverse organismes. De omvang van AS is mij nog niet duidelijk; niet alle splice sites zijn zo flexibel dat ze AS toelaten; sommige splicing sites zijn constitutief: er komt geen AS voor.
Introns zijn inderdaad leuk; de rol van introns bij het vouwen van DNA is mij niet bekend; ik kan het niet uitsluiten; er komt nog een volgend blog over introns, want ik ben er nog niet op uitgekeken.
Linkedin: ga ik de komende tijd eens doorheen bladeren om een indruk te krijgen wat het is.