10 March 2011

Typisch menselijke eigenschappen als hersenomvang en monogamie veroorzaakt door DNA verlies


In een Nature publicatie vandaag donderdag 10 maart tonen onderzoekers aan dat er in de loop van de menselijke evolutie vele stukken DNA van duizenden baseparen verloren zijn gegaan en dat die deleties een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan typisch menselijke eigenschappen zoals hersenomvang, anatomie van de penis, en uiteindelijk de typische menselijke monogamie!

Tot nu toe was de gedachte dat wij ons onderscheiden van de chimpanzee door nieuwe genen of tenminste door nieuwe regulators die onze genen op een nieuwe manier tot expressie brengen. Maar dat is dus niet zo. Het kan dus ook door stukken DNA die genen reguleren kwijt te raken. Dit is zeer verrassende uitkomst! Vooruitgang door verlies van DNA. Een origineel idee waarschijnlijk geboren uit het gebrek aan vondsten van nieuwe stukken DNA die ons onderscheiden van chimpanzees.

Sexy ape with brains
Het verhaal over de penis en monogamie is natuurlijk zeer verbazingwekkend. Het bleek dat door bepaalde DNA deleties de mannelijke penis ongevoeliger was geworden waardoor de coïtus juist langer ging duren (6 - 10 minuten). In ieder geval langer dan die van de chimpanzee, waarvan al bekend was dat die zeer kort is (5 - 30 seconden). Samen met andere menselijke kenmerken zoals permanente borsten en onzichtbare ovulatie bij de geslachtsrijpe vrouw, zou dit hebben bijgedragen tot de typisch menselijke monogamie. Ik vind het nogal een sprong van langere coïtusduur naar monogamie. Maar ik vind het verband van DNA deletie, ongevoeliger penis en langere coïtus al spectaculair genoeg.

Ook spectaculair is het resultaat dat de grotere neocortex van de menselijke hersenen veroorzaakt wordt door het verlies van een stuk DNA dat groei van hersenweefsel onder controle houdt. Dus een rem op de groei van bepaald hersenweefsel valt weg, waardoor je juist extra groei krijgt in een bepaald hersengebied. Dit gaat ook weer in tegen het standaard idee dat je voor grotere hersenen nieuwe genen of genregulators nodig zou hebben.Verlies van DNA kan iets nieuws opleveren. Genetici en evolutiebiologen wisten al dat de mens overmatig veel DNA had. Nu snappen we het nut: je kunt nog eens iets weggooien!

Introns
Gezien mijn belangstelling voor introns is mij nog iets opgevallen: 30% van de 509 specifiek menselijke deleties vallen binnen introns! Nu, zou je zeggen: logisch! Introns zijn toch stukken random DNA zonder enige functie? Jawel, maar die 509 deleties zijn deleties van stukken DNA die in de chimpanzee juist geconserveerd zijn, dus onder purifying selection staan. Belangrijke functionele stukken DNA dus. De chimpanzee (en de gemeenschappelijke voorouder van mens en chimpanzee) heeft 154 geconserveerde stukken DNA in introns zitten. Ra, ra, hoe kan dat? Wat doen die stukken DNA? Een stuk DNA met onbekende functie in een intron? Kan het misschien een gen in een intron zijn? Kan het dat die stukken intron DNA een regulerende functie hebben? Ook dat zou spectaculair zijn. Ik heb geen idee wat de verklaring is. De auteurs schrijven er niets over.

Bronnen

Cory Y. McLean et al (2011) Human-specific loss of regulatory DNA and the evolution of human-specific traits, Nature 10 maart 2011

Open access Nature News: How the penis lost its spikes

Open access Science Now: How Humans Got Spineless Penises and Big Brains

04 March 2011

Oude en nieuwe inzichten in de functie van introns

Er lijkt geen twijfel meer te bestaan in de wetenschappelijke wereld over het feit dat introns maar vooral splicing belangrijke functies vervullen. Maar laten we eerst even stilstaan bij hoe extravagant introns zijn, en hoe recent eigenlijk de wetenschappelijke kennis over de functie van introns is. Ik heb een aantal evolutie leerboeken nagekeken op het voorkomen van introns. Tenslotte zijn introns al in 1977 ontdekt en van groot belang voor evolutie.

Nobelprijswinnaar Christian de Duve schreef in 2002 in Life Evolving:
"In 1977, two investigators working independently in two different American laboratories, the American Philip Sharp and the Englishman Richard Roberts, made one of the most stunningly unexpected discoveries ever made in biology" (p.34). Dat is nogal wat! Introns zijn één van de meest krankzinnig onverwachtte ontdekkingen ooit gedaan in de biologie! De Duve dacht dat introns wel enig nut moesten hebben (welk?), anders zouden ze wel geëlimineerd zijn door natuurlijke selectie. Dit is een grappige, intrigerende redenering. Merkwaardig genoeg, in zijn meer op wetenschappelijk publiek gerichte recente boek Singularities. Landmarks on the Pathways of Life (2005) komt introns niet in de index voor, wordt 1x kort in de tekst genoemd (p.107), terwijl er veel aandacht gegeven wordt aan RNA, de RNA-world en de oorsprong en de typische kenmerken van eukaryoten. Verbazingwekkend! Nog verbazingwekkender was het toen ik ontdekte dat hij in een ouder boek Vital Dust. The Origin and Evolution of Life on Earth (1995) uitgebreide aandacht gaf aan introns! Raadselachtig dat hij dat in latere boeken achterwege laat.


Een andere Nobelprijswinnaar Manfred Eigen schreef in 1992 (dus 15 jaar na de ontdekking van introns): "The function of introns, if they possess one, is still unknown" (p.45 Steps towards Life).


Ook schreef hij dat men toen niet wist met zekerheid of introns een overblijfsel waren van de tijd dat eukaryoten ontstonden. Intrigerend!  De onwetendheid over de functie van introns is waarschijnlijk de verklaring dat men er in die tijd niet veel over schreef.

Christiane Nüsslein-Volhard, ook Nobelprijswinnaar, beschrijft in 2006 in het boek Coming to Life de genetische basis van de embryonale ontwikkeling van dieren zónder enige rol aan introns toe te schrijven. In de figuur 15 op pagina 34 (transcription and translation) wordt splicing helemaal weggelaten alsof het niet bestond. Op pagina 39 wordt het bestaan van introns kort genoemd. Dit is opvallend, want zij zou nooit om een begrijpelijk verhaal te kunnen vertellen wetenschappelijke inzichten geweld aan doen. Als introns en alternatieve splicing van cruciaal belang zouden zijn voor de embryonale ontwikkeling dan zou het hier tevoorschijn moeten komen. Niet dus. Terwijl mRNA wel degelijk een belangrijke rol in haar verhaal speelt (b.v. bicoid mRNA in Drosophila eicel, p.66).

Een andere bekende onderzoeker van de genetische regulatie van embryonale ontwikkelingsprocessen is Sean Carroll. In het bekende en rijk geïllustreerde From DNA to Diversity. Molecular Genetics and the Evolution of Animal Design (2001) spelen RNA, splicing en introns helemaal geen rol! In zijn populaire Endless Forms Most Beautiful. The New Science of Evo Devo (2005) staat zelfs een diagram van 'transcription' en 'translation' (Fig. 3.2) waar notabene mRNA direct naar het ribosoom gaat zonder splicing! Introns, exons en splicing worden weggelaten. Het is bijna misleidend te noemen.
Ik heb in het bekende boek van Lynn Margulis (1998) Five Kingdoms de lijst van karakteristieke verschillen (het zijn er tientallen) tussen prokaryoten en eukaryoten opgezocht om te kijken of spliced genes (introns) genoemd werd. Die kwamen er niet in voor! Terwijl spliceosomal introns karakteristiek zijn voor eukaryoten. 

 

Evolutiehandboeken

 



Futuyma (2005)


Strickberger (2000)
(voor volledige lijst
van handboeken
zie: WDW website)

Een aparte categorie vormen de evolutiehandboeken. Deze proberen een volledig overzicht te geven van de evolutiebiologie. Ik heb 10 handboeken van de laatste 15 jaar nagekeken op introns. Het resultaat is wisselend, maar over het algemeen zeer incompleet. Minimaal moet er een schema van de exon-intron gen structuur, splicing, mogelijke functie van introns, de fylogenie, de Introns-Early/Late hypothese (uiteraard!), en als het even kan alternative splicing behandeld worden en uiteraard moet 'intron' in de index voorkomen. Het beste komen Strickberger (2000) en Futuyma (1998, 2005) uit de bus. Strickberger beschrijft positieve/negatieve aspecten, de Introns-Early/Late controverse en stelt goede vragen zoals: Hoe kan kwamen introns in eukaryotische genen terecht? Waarom werden ze zo algemeen? Hoe kunnen ze zich handhaven? Ook al worden niet alle vragen beantwoord, het zet je toch aan het denken en maakt het spannend. Anderen laten het bij het opsommen van droge feiten. Het slechtste zijn (in dit opzicht!) Freeman/Herron (2007), Stearns/Hoekstra (2005) en Ridley (1996, 2004): incompleet, soms staat 'intron' niet eens in de index, en het ergste is als je een misleidend schema geeft: DNA --  RNA -- eiwit waarbij zelfs in de beschrijving van het transcriptie en translatie proces, mRNA rechtstreeks naar het cytoplasma gaat en een eiwit gemaakt wordt, alsof er geen splicing bestaat! Niemand noemt het aantal introns per gen in verschillende systematische groepen. De behandeling van introns hangt van de persoonlijke voorkeuren van de auteurs af. Een positieve verrassing was het handboek van Peter Skelton Evolution - A Biological and Palaeontological Approach (1996) wat een herdruk is van 1993. Juist omdat je het niet verwacht. Er komt een net schema in voor (inclusief exons, introns, splicing) en alternative splicing wordt goed uitgelegd.

Nieuwe inzichten over introns


Ik geef één voorbeeld van nieuwe inzichten in introns en splicing (dat uiteraard nog niet in de handboeken voorkomt). Wanneer er introns uit mRNA geknipt worden, ontstaat er de gelegenheid om ook een exon eruit te knippen. Dit kan doordat de grens tussen exon en intron niet scherp is en eiwitten die moeten knippen soms wel en soms niet de grens herkennen. Daardoor krijg je vanuit één gen meerdere eiwitten varianten. Het proces heet alternative splicing en de resulterende eiwitten heten splice isoforms. Tot nu toe dacht ik dat dat een toevals gebeurtenis was. Maar het blijkt nu dat de verhouding waarin de verschillende isoforms geproduceerd worden een sterk gereguleerd proces is (1). En het verschilt per celtype en ontwikkelingsstadium van het embryo. Het lijkt er op dat afwijkende verhoudingen in de normale productie van isoforms met ziekte geassocieerd is. De isoformen kunnen dus functioneel te zijn.

Meestal worden verschillende exons tot expressie gebracht (exon-skipping), maar in een minderheid van de gevallen wordt een klein intron meegenomen: 30 bp en 9 bp (dit heet: intron retention). Introns accumuleren mutaties (grafiek Patthy vorige blogs). De meerderheid van de introns is veel groter en worden (voor zover ik weet) altijd uitgeknipt. Dat is maar goed ook vanwege de random base volgorde.

Zeer recentelijk (2) is er ook kritiek geweest (zo gaat dat in de wetenschap) op de opvatting dat streng gereguleerde productie van verschillende splice isoforms automatisch betekent dat ze functioneel zijn. Van de meerderheid van isoformen is niet bekend wat voor functie ze hebben. De auteur claimt zelfs dat isoforms die in vaste verhoudingen geproduceerd worden geen functie hoeven te hebben. Een onverwachts resultaat.


Noten

  1. Jennifer L. Chisa and David T. Burke (2007) Mammalian mRNA Splice-Isoform Selection Is Tightly Controlled. Genetics, Vol. 175, 1079-1087, March 2007
  2. Marcel Kramer (2011) Constant Splice Isoform Ratios in Human Lymphoblastoid Cells Support the Concept of a Splico-Stat, Genetics. Advance Online Publication: January 10, 2011

Vorige blogs over introns:

24 February 2011

Het intron-mysterie voor gevorderden (2) Evolutie van introns

In vorige blogs over introns heb ik gekeken naar de mogelijke voor- en nadelen van introns en bij welke organismen ze voorkomen. In dit blog probeer ik de vraag te beantwoorden waar introns evolutionair gezien vandaan komen. Hoe oud zijn ze? Wat is hun afstamming? Het blijkt dat deze simpele vragen nog niet zo makkelijk te beantwoorden zijn en soms paradoxale resultaten opleveren.

Laten we gaan kijken naar het voorkomen van introns in de stamboom van het leven. Met introns bedoel ik de meest algemeen voorkomende introns (zgn spliceosomal introns) zoals die we aantreffen bij planten en dieren (Eukaryoten). Er zijn in principe twee evolutionaire mogelijkheden: introns zijn laat (Introns Late) of vroeg ontstaan (Introns Early hypothesis):

L: Introns Late theory; E: Introns-Early; F: Introns-First theory.
Eukaryotes = planten + dieren + schimmels
Archaea = eencellige organismen, maar géén bacterieën/Eukaryoten
LUCA = Last Universal Common Ancestor
intron invasie; intron verlies
RNA-world = stadium met alléén RNA, nog geen DNA.
Figuur afkomstig uit (1)

 

Gezien de afwezigheid van introns in Bacteria en Archaea lijkt de meest voor de hand liggende mogelijkheid (a) dat ze evolutionair 'recent' ontstaan zijn, d.w.z. nádat Bacteria en Archaea afgeplitst zijn. Vlak voor het ontstaan van de Eukaryoten moet er een invasie van introns plaatsgevonden hebben. Bacteria en Archaea hebben nooit (spliceosomal) introns gehad. (er komt wel een zeldzamere soort introns voor)
Volgens de Introns Early hypothese (b) zijn introns héél oud, ze zijn ontstaan in de gemeenschappelijke voorouder (LUCA) van Bacteria, Archaea en Eukaryoten (E) of zelfs nog eerder (F). In het laatste geval (F) zijn introns zo oud als het leven zelf! Zo oud als de oudste genen. Dat was in een tijd dat RNA in plaats van DNA de drager van erfelijke informatie was. Daarom heet die fase de 'RNA-world'. In optie (b) hebben Bacteria en Archaea alle introns verloren.


Dilemma
Het dilemma is nu dat als je uitgaat van het laat ontstaan van introns (IL=Introns Late), je wel een verklaring hebt voor het ontbreken van introns in Bacteria en Archaea, maar dat je een grote intron invasie moet veronderstellen in de directe voorouder van de Eukaryoten (planten + dieren + schimmels). Gelijktijdig met de intron invasie moet je de evolutie van de complexe knipmachinerie (spliceosome, spliceosoom) aannemen. Bovendien moet je een ingewikkeld mengsel van intron afname en toename aannemen in de Eukaryoten, want de verspreiding binnen de Eukaryoten is nogal verschillend.
Als je het vroege ontstaan van introns (IE=Introns Early) aanneemt, moet je een totaal verlies van introns in Bacteria en Archaea aannemen. Dat is niet onmogelijk. Het kan onderdeel zijn van streamlining van het genoom van eencelligen. Maar, hoe waarschijnlijk is het? Ik weet niet of er bewijs bestaat of Bacteria ooit spliceosomal introns gehad hebben. Voorstanders van Introns Early interpreteren introns als overblijfselen van de ruimte tussen genen (spacers) en interpreteren exons als de oorspronkelijke mini genen. In de loop van de evolutie zou een serie exons compleet met introns één gen geworden zijn. Zo zien genen er tegenwoordig uit (3).

Catastrofaal
Aan de andere kant (Introns Late) moet de invasie van introns in eukaryoten catastrofaal zijn geweest. Genen overleven dat niet, als er geen betrouwbaar mechanisme is dat introns er weer uitknipt. Is dat mechanisme eenmaal aanwezig, dan kan ik me voorstellen dat introns zich makkelijker kunnen uitbreiden. We zien dat ook grofweg gebeuren in de loop van de evolutie van eencellige naar meercellige Eukaryoten (zie ook figuur in vorige blog over introns). Sommigen suggereren dat er samenhang bestaat tussen twee typerende eigenschappen van eukaryoten: introns en de celkern.

Celkern
Er zijn twee redenen waarom bacteriën nooit het type introns (spliceosomal introns) gehad kunnen hebben dat Eukaryoten nu hebben: het uitknippen van introns uit het mRNA moet in de celkern (nucleus) gebeuren, en bacteriën hebben geen celkern! Ten tweede: Bacteria en Archaea hebben geen spliceosoom en kunnen dit type introns dus überhaupt niet uitknippen. In Eukaryoten worden eiwitten in het cytoplasma (buiten de kern) gemaakt op basis van mRNA dat in de kern wordt 'opgeschoond'. In Bacteria en Archaea vinden mRNA synthese en eiwitsynthese in hetzelfde compartiment (= de cel) plaats. Dit alles lijkt mij een aardig argument tegen IE...

Zeldzame introns
Bacteria en Archaea hebben een zeldzaam soort introns: introns die zichzelf uitknippen! (= self-splicing).

type intron Eukaryotes Prokaryotes
Spliceosomal + -
Self-splicing + +
tRNA + +
 (bron: wikipedia)
Maar ze zijn zeldzaam i.v.m. hun compacte, gestroomlijnde genoom. Self-splicing introns hebben geen hulp nodig van enzymen. Ik kan me dus voorstellen dat ze voorkomen in zeer oude levensvormen dicht bij de oorsprong van het leven. Die self-splicing introns komen ook bij de mens voor (zeldzaam), maar niet in de eiwit-coderende genen (in de kern). Waarom weet ik niet. Ik heb geen verklaring kunnen vinden. Het grote verschil is dat de base volgorde van bacteriële introns er wél toe doet: het is een self-splicing RNA (het codeert niet voor een eiwit). In tegenstelling tot de eukaryotische introns waarvan de base volgorde niets betekent (zie Patthy-grafiek hier onder). Dat is nogal een groot verschil! Toch zie je in de literatuur dat men aanneemt dat de eukaryotische introns afstammen van bacteriële introns. Het idee is dat eiwitten langzamerhand zijn gaan assisteren met het uitknippen totdat ze daarin zo goed waren dat het self-splicende vermogen verloren is gegaan.Toen dat verloren was, stond de weg open voor onbeperkte accumulatie van mutaties in de base volgorde van de eukaryotische spliceosomal introns...

De base volgorde van introns
Het grote verschil van bacteriële introns en eukaryotische introns is dat de bacteriële voor een functioneel RNA coderen en de eukaryotische introns coderen niet voor een functioneel RNA of eiwit.


Patthy (1999) Fig 4.1 (5) Gemiddelde substitutie snelheid in verschillend DNA
(gebaseerd op Li & Grauer 1991)
 
Een sterke aanwijzing voor afwezigheid van een functie is de accumulatie van mutaties. Introns blijken bijna dezelfde substitutie snelheid te hebben als pseudogenen (pseudogenen zijn stukken DNA waarvan de base volgorde er niet toe doet omdat ze selectief neutraal zijn). In andere woorden: de base volgorde evolueert even snel als pseudogenen. De base volgorde van introns doet er nauwelijks toe. Die base volgorde gaat op den duur lijken op een random volgorde (randomisatie). De base volgorde is selectief neutraal. Het enige wat telt zijn een tiental bases aan het begin en einde van het intron die er voor zorgen dat introns uitgeknipt worden (splicing). Die blijven geconserveerd. Mutaties in splicing sites (= herkenning sites) zijn fataal. Omdat introns vaak groot zijn, valt het kleine aantal functionele bases in splicing sites in het niet bij het grote aantal bases die vrijelijk muteren. Daarom lijken introns (met pijltje) in figuur 4.1 op pseudogenen. Patthy wijst er op dat introns zeer tolerant zijn voor substituties, deleties en inserties. En dat zien we ook: introns variëren veel meer in grootte dan exons. In vergelijking met exons is de spreiding in grootte van introns is veel groter.
Een recente publicatie (2006) vindt dat over relatief korte evolutionaire periodes introns korter of langer kunnen worden, maar het aantal en positie van introns in overeenkomstige genen kunnen over langere evolutionaire periodes veranderen. Wanneer je dus leest dat er introns zijn in vertebraten met dezelfde positie als eenvoudige meercellige dieren, dus 100 miljoen jaar constant zijn gebleven, dan wil dat niet zeggen dat de introns zélf identiek zijn gebleven. Het gaat om hun posities in genen.

Alternative splicing voor gevorderden
Dat de inhoud van introns grotendeels random is, is goed verenigbaar met het feit dat er bij alternative splicing zelden introns blijven zitten en vertaald worden naar eiwit (4). Als ze niet naar eiwit vertaald worden, worden ze ook niet getest door natuurlijke selectie. Het is nuttig om de 20 jaar oude test van Li & Grauer (1991) in bovenstaande figuur opnieuw uit te voeren met het oog op introns die niet uitgeknipt worden en dus wel in eiwitten terecht komen (zoals in sommige planten en eencellige eukaryoten). Te verwachten is dat die introns net zo langzaam evolueren als exons. Het zijn in feite exons.
Een toename van het aantal genen met alternative splicing in gewervelden (vertebraten) ten opzichte van ongewervelden (invertebraten) moet ongeveer 300 miljoen jaar geleden opgetreden zijn (4). Dit kan natuurlijk niet als argument gebruikt worden voor het ontstaan van introns miljoenen jaren eerder! Natuurlijke selectie heeft geen vooruitziende blik.

 

Voorlopige conclusie

Er valt niet te ontkomen aan de volgende conclusies (2):
  • de allereerste eukaryoten (= planten + dieren + schimmels) hadden introns
  • een aantal introns zijn 1,5 tot 2 miljard jaar oud
  • dat er in iedere afstammingslijn introns zijn bijgekomen en verdwenen
  • de meerderheid van introns in gewervelden (vertebraten) en planten zijn evolutionair recent
  • paradoxaal: de mens heeft méér introns gemeenschappelijk met de plant Arabidopsis thaliana dan met de fruitvlieg en worm.
Dat laatste paradoxale resultaat maakt de studie van introns zo boeiend. Het veld zit vol verrassingen en (nog) onverklaarde verschijnselen. Het maakt duidelijk dat we nog zo weinig weten van het hoe en waarom van introns. Verder blijkt uit de voorlopige conclusies dat zowel de Introns Early als de Introns Late theorie beide waar te zijn. Het is eigenlijk een valse tegenstelling.
Ik heb nog vele zaken laten liggen: de connectie van introns en de oorsprong van het leven, en creationisten (!) over introns, wat de (evolutie)handboeken schrijven over introns, en de nieuwste wetenschappelijke ontwikkelingen. Daar ga ik in volgende blogs op in.


Vorige blogs


Noten

  1. Jeffares, Mourier, Penny (2006) The biology of intron gain and loss, TRENDS in Genetics Vol.22 No.1 January 2006
  2. Rogozin IB, Wolf YI, Sorokin AV, Mirkin BG, Koonin EV. (2003) 'Remarkable interkingdom conservation of intron positions and massive, lineage-specific intron loss and gain in eukaryotic evolution', Current Biology.
  3. Alternatieve splicing doet eigenlijk net zoiets als exon shuffling: exons op verschillende manieren combineren. Combinatie's van exons worden op die manier getest op nut. 
  4. Eddo Kim (2007) Different levels of alternative splicing among eukaryotes, Nucleic Acids Res. 2007 January; 35(1): 125–131 
  5. László Patthy (1999) 'Protein Evolution', Blackwell Science. p.57.